Internet volstaat niet voor diplomaat

In het internettijdperk lijkt studeerkamerkennis passé, zeker in de diplomatieke dienst. Maar dat is een vergissing. Contacten leg je met kennis en respect, zegt Marcel Kurpershoek.

De Engelse filosoof John Stuart Mill was heel sceptisch over de mogelijkheden om menselijk gedrag te vangen in wetmatigheden vergelijkbaar met die van de natuurwetenschappen. In het beste geval kan volgens hem worden besloten tot bepaalde tendensen. Maar, aldus Mill, „kennis die niet toereikend is om voorspellingen te doen, kan zeer waardevol zijn als leidraad”.

Dat herken ik als ambtenaar en diplomaat. Bijvoorbeeld als op het departement in Den Haag adviezen gegeven moesten worden over het Midden-Oosten en over de islamitische wereld. Soms mondde dat uit in een rapport of aantekening voor de Kamer. Met zo’n notitie werd eens de kachel aangemaakt door toenmalig VVD-kamerlid Wilders. Het stuk beantwoordde volgens hem niet aan de behoefte, wegens „hoog studeerkamergehalte”. Hij stelde er ruim honderd Kamervragen over, die uiteindelijk ook allemaal zorgvuldig werden beantwoord.

Op internet las ik een uiteenzetting van een Duitse literatuurwetenschapper volgens wie het afgelopen is met de geesteswetenschappen. Volgens hem kun je niet doorgaan „subsidies te verstrekken aan een wetenschapskaste die is blijven steken in een archaïsche boekcultuur en die slechts oncontroleerbare persoonlijke ideetjes produceert”. In het Duits heet dat Ausformulierungen persönlicher Idiosynkrasien. Dit brengt hem tot de slotsom dat „toekomstig wetenschapsgeld toebehoort aan de technische en informaticaopleidingen.” Die zullen de geesteswetenschappen systematisch omduiden en inlijven.

Tijd voor grote schoonmaak en vernieuwing! Waarom heb je boeken nodig, laat staan manuscripten, als je alles op internet kunt vinden? En wat draagt de bestudering van spijkerschrift bij aan de economische slagkracht van Nederland?

Het is misschien een troost te horen dat iets vergelijkbaars zich heeft afgespeeld in de rijksambtelijke wereld van de departementen. Midden jaren negentig werd ook Buitenlandse Zaken grondig op de schop genomen in de Herijking. De lijn was: Buitenlandse Zaken moet zich razendsnel aanpassen, anders wordt het binnen de kortste tijd de dodo van Nederland. Kennis kreeg niet langer een centrale plaats. Kennis is immers toegankelijk op internet. Of het kon makkelijk worden ingekocht. In plaats van kennis was behoefte aan ‘kennismanagers’.

Iedere revolutie kent haar heftige loop, totdat de wateren een koers hernemen die op veel punten gelijkenis vertoont met de situatie daarvoor. Maar globalisering of niet, culturele en plaatsbepaalde verschillen blijven hardnekkig bestaan. Misschien worden ze door globalisering alleen maar hardnekkiger. Je kunt een Klein Texas neerzetten in Kandahar, maar om te weten wat de Pashtun-stammen beweegt zul je hun taal, geschiedenis en hun genealogie moeten begrijpen. Gereguleerde contacten vanuit Klein Texas zijn daarvoor geen substituut.

Dat het één zo dicht en dreigend naast het ander staat, kan dat begrip juist in de weg staan.

De denkfout is dat een instrument wordt verward met het gebruik ervan. Het instrument internet is zo giga en revolutionair dat het de gebruikende mens naar zijn hand zet, leek soms de gedachte. Twijfel daaraan getuigde van ‘oud denken’. Geloof was goed, scepsis slecht. Een skeptikos is een onderzoeker, iemand die op zoek is naar betrouwbare informatie. .

Meer dan ooit is er behoefte aan Mills „kennis die zeer waardevol kan zijn als leidraad”. Techniek en informatica zijn er; bekwame bedrijfsvoering is noodzakelijk, evengoed in de ambtelijke en universitaire wereld als in ondernemingen. Maar de menswetenschappen zijn onvervangbaar als manier om zich diepgaand te verplaatsen in andere culturen. Contact met Afghaanse taxichauffeurs, of met medelanders uit verschillende delen van de wereld in Nederland of via internet, kunnen verwijzen naar andere realiteiten. Maar dat levert niet dezelfde waarde op als systematische bestudering en onderzoek.

Net als scepsis, stond relativeringsvermogen niet bij de hoog genoteerde ‘vaardigheden’ tijdens de departementale Herijking. Het verband was snel gelegd met gebrek aan geloof in vernieuwing en gedrevenheid om de doelstellingen te bereiken. Dat het één juist voorwaarde kan zijn om de kans op succes in het ander te verhogen, wilde er niet altijd in.

Daarin hebben de elfde september, Afghanistan, en Irak een kentering gebracht. Het werd bijna niet om aan te zien hoe het wereldnieuws zich verengde tot Midden-Oostelijk en islamitisch geweld. Daarin volgde men het Amerikaanse nieuws, dat vaak de indruk wekt alsof ons aller lot uitsluitend afhangt van wat daar gebeurt. Het treurige is evenwel dat dit jarenlange bombardement met frontnieuws nauwelijks heeft bijgedragen aan onze gemiddelde kennis. Integendeel, dit nieuws trekt een muur op die ons eerder het uitzicht beneemt op de cultuur, geschiedenis en menselijkheid van die tragische oorden.

Enkele maanden geleden trof ik mijzelf aan op dezelfde krantepagina met mijn studiegenoot Erik-Jan Zürcher. Wij bleken echter niet van dezelfde pagina te lezen, zoals dat heet. Zürcher had de politieke achtergronden van het staatsbezoek aan Turkije deskundig uit de doeken gedaan, onder meer de hoofddoekjeskwestie en de verschillende interpretaties van de Turkse scheiding tussen kerk en staat. Zijn uitleg leek in tegenspraak met de mededelingen die ik daarover vanuit mijn functie als diplomaat had gedaan. Maar dat kon slechts schijn zijn. De voorbereiding op mijn post bestond uit zijn standaardwerk Modern Turkije, dat ik las op de rustdagen van een Himalaya-expeditie. Zwart beduimeld staat het in mijn kast. Het werk van een diplomaat verschilt echter essentieel van dat van de wetenschapper. De uitdrukking raison d’état zegt voldoende. Maar een wetenschappelijke opleiding is terecht een voorwaarde voor een loopbaan als diplomaat.

In Duitsland is 2007 het jaar van de geesteswetenschappen. Minister van Onderwijs Annette Schavan zei daarover: „Juist in deze tijd is het onverstandig instituten te sluiten die bijdragen aan kennis van andere culturen en werelden. Wat ‘kleine vakken’ heet gaat over culturen die hele continenten betreffen en waarvan kennis meer dan ooit een levensnoodzaak is.” Dat betekent niet dat alles bij het oude moet blijven. Duitsland wil op deze vakgebieden wetenschappelijk gezien bij de top horen. Nederland, met zijn traditie als maritieme mogendheid, heeft eeuwenlang op veel van deze terreinen een wereldnaam gehad. Denk aan de sinologie, indologie, de oriëntalistiek, de slavistiek, islamologie, enzovoorts.

Tot de meest intensieve contacten die ik had, behoren die met Saoediërs. Er zijn dingen in de omgeving en opvoeding van deze Saoedische vrienden die voor ons volstrekt vreemd en onacceptabel zijn. Omgekeerd idem dito. Maar wat ik met sommigen van hen deelde was op dat moment van geen enkele betekenis vergeleken met wat ons bond. Sommigen vonden zelfs dat ik te ver doorschoot als verzamelaar van vreemde bedoeïenenwoorden. Bedoeïens geldt bij Arabieren als zuiver oer-arabisch. Maar een flink aantal van die woorden bleek van Turkse oorsprong, heb ik op de Post Ankara ontdekt. Hoe dan ook, taalkundige jacht verbroedert zeker zo veel als sport.

In veel landen is de weg naar gemeenschappelijkheid nu afgesneden. Godsdienst wordt in de strijd geworpen om die scheidslijn absoluut te maken. Dat is vruchtbare grond voor allerlei vormen van extremisme en haat. Het ontdekken van verschillen is alleen verrijkend als dat uitzicht op gemeenschappelijkheid blijft bestaan.

Als dit ergens geldt, dan is het in Turkije. In 1856, met het verdrag van Parijs, trad het Ottomaanse Rijk toe tot het Europese Concert. Turkije, als opvolgerstaat van het Ottomaanse Rijk, oriënteert zich al twee eeuwen bewust op West-Europa. De modernisering bereikte landen als Syrië en Egypte niet met de komst van de Fransen en Engelsen. Die kwam al eerder en structureler toen deze landen provincies van het Ottomaanse Rijk waren. Het fanatieke wahhabisme vanuit het Arabisch schiereiland werd tot staan gebracht door het Ottomaanse Rijk. Vanuit dit historisch perspectief is het in ons Europees belang dat Turkije onderdeel blijft van het Concert en zijn rol in de regio kan spelen.

De Ottomanen deden het zo gek nog niet, voordat het Rijk in ontbinding geraakte, zeker vergeleken met de rotzooi die anderen ervan gemaakt hebben. Een Turkije dat zich zeker en vrij genoeg voelt om zich het goede van zijn Ottomaanse verleden toe te eigenen, kan helpen iets te doen aan dat beschamende voorpaginanieuws van de laatste jaren. Dat inzicht kan onderdeel zijn van „een pragmatische leidraad”. En als we het over respect hebben: zoals iedereen weet, of zou moeten weten, is er geen betere manier om respect te tonen en te ontvangen dan kennis van andermans taal en cultuur. Als je dat meer hebt dan de concurrenten, ben jij in het voordeel.

In geld valt dit niet uit te drukken. We hoeven niet te zoeken naar voorbeelden van vette contracten die in de wacht werden gesleept. Wel zal het bijdragen aan een klimaat dat bevorderlijk is voor transacties tussen landen.

Marcel Kurpershoek is diplomaat en arabist. Dit is de bekorte tekst van de rede die hij vandaag uitsprak voor de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.