Het finale uur

Montaigne was van mening dat men pas na iemands dood over zijn geluk kan oordelen. Hij staafde die overtuiging met uitspraken van Seneca, die benadrukte dat iemands allerlaatste dag de belangrijkste is, en van Ovidius, die vond dat men ook de begrafenis nog achter de rug moet hebben om een correcte balans te kunnen opmaken.

Eigenlijk is het indrukwekkend hoeveel waarde wij mensen hechten aan chronologie. Omdat wij geboren worden en sterven, en de tijd bijhouden, geeft wat het laatst wordt ervaren meestal de doorslag. Zo kan intens geluk, wanneer het wordt opgevolgd door verdriet, enkel nog als gemis voortbestaan, als een versterking van dat verdriet.

Nog steeds bepaalt de gefantaseerde sterfbedscène in grote mate het menselijke doen en laten. Mensen hoeven niet in het vagevuur te geloven om de behoefte te tonen aan rechtzettingen, verzoeningen en het uitvoeren van latente wensen wanneer zij het finale uur, al dan niet louter in overpeinzingen, voelen naderen. De laatste kans om tot een glorieuze, edelmoedige en bewonderenswaardige herinnering te transformeren dient zich aan. Het persoonlijke levensverhaal vraagt om een happy end.

Ook carrières zijn aan de tijd onderhevig. Het laatste kunstwerk, de laatste onderhandeling telt. In de week dat Tony Blair een historische (en weliswaar lang voorbereide) regering in Noord-Ierland helpt installeren, verlaat hij de politiek. Het heeft iets van de ontroerende en erg treffend geformuleerde afscheidsbrief van een zelfmoordenaar, het document dat iedereen moet confronteren met het eigen misplaatste onbegrip tegenover een in wezen zo nobel mens. En dat de overledene wel eens groepsverkrachtingen aanvoerde, ach ja, iedereen maakt fouten. Het is de chronologie die telt.

Voor Blair kwam Noord-Ierland na Irak, Paisley wil op zijn oude dag vreedzaam het leiderschap delen met wie hij trachtte uit te roeien.

Chiracs feestelijke opening van een museum voor Afrikaanse en Aziatische kunst had jaren na zijn kernproeven op Mururoa plaats. Wil men de critici postuum milder stemmen, dan doet men er goed aan zijn heengaan van een happy end te voorzien.

„God heeft de dingen geregeld zoals het Hem behaagde: welnu, in mijn tijd hebben de drie afschuwelijkste mensen die ik heb meegemaakt tijdens hun werkelijk afschrikwekkend leven – eerloze figuren – een harmonieuze dood gehad, die in alle opzichten vlekkeloos verliep”, lezen we verder in Montaignes zestiende-eeuwse essay, dat boeit omdat het de wereld tracht te ordenen terwijl het uit wanhoop geschreven moet zijn.

De neiging van velen om luidop over de door hun gewenste sterfbedscène te mijmeren – berustend, oud, verlicht, in het bijzijn van de kleinkinderen – deel ik niet. De laatste dag lijkt mij net een uitgelezen moment voor dame Fortuna om zich in al haar banaliteit te manifesteren. Zij kan ons tijdens onze laatste uren vloekend een kleine teen laten breken tegen de rand van het bed. Of ons laten beslissen een boek te lezen waar we geen zak aan blijken te vinden. Of ons een rotopmerking laten maken die wij niet eens meenden, tegen iemand die we liefhebben, waardoor we onze laatste minuten vullen met de vraag waarom we nu zoiets raars zeiden, uitgerekend tegen die persoon.

En in hoeverre hebben dementen kans op een als mooi ervaren afsluiter? Dat zij van de ervaren chronologie zijn bevrijd, dat hun voorstelling van een gewenst einde is vernietigd, maakt de willekeur mogelijk gewoon nog oncontroleerbaarder.

Nee, in dat happy end heb ik niet zo veel vertrouwen.