Eten en drinken

De Tsjechen zijn na de Duitsers het zwaarlijvigste volk van Europa, las ik in de Prager Zeitung, ‘das Wochenjournal aus der Mitte Europas’.

Ik kan niet zeggen dat dit nieuws als een bom bij mij insloeg na mijn ervaringen met de Tsjechische keuken. Het eten was aan de vette kant, met stevige lappen vlees en veel Knödel. Een extra verzwarende omstandigheid is het bier, dat er litersgewijs bij gedronken wordt. Je doet er goed aan bij je bestelling duidelijk te maken dat je aan een klein biertje voldoende hebt – dat is daar nog altijd meer dan bij ons.

Wat mij meer bevreemdde, was de manier waarop je in restaurants en cafés door het bedienend personeel werd behandeld. Heel voorkomend, vooral als je binnenkomt, een plek zoekt en je bestelling doet. Maar daarna is het oppassen geblazen. Je hebt je bord nog maar nauwelijks leeggegeten en je glas leeggedronken, of ze worden al zonder commentaar van de tafel gegrist.

„Er zit nog iets in”, beduidde ik de serveerster in een restaurant.

Ze keek me ongelovig aan en boog zich voorover naar mijn glas. Toen keek ze me met een meewarige blik aan, alsof ze wilde zeggen: „Véél is het niet meer.”

Ook kan het gebeuren dat je metgezel, als hij trager eet dan jij, dapper in z’n eentje moet verder happen, terwijl jouw lege bord alvast wordt opgeruimd. Gezelligheid kent op zulke momenten geen tijd in Bohemen.

Wordt deze overdreven haast ingegeven door pure winzucht?

Aanvankelijk dacht ik van wel, en het maakte me een beetje bozig. Later merkte ik dat men er geen moeite mee heeft als je na het beëindigen van je maaltijd nog een poos blijft zitten. Het heeft, geloof ik, meer te maken met een hang naar orde en netheid. Al die vieze borden en glazen op tafel – dat vindt men kennelijk geen gezicht.

Het gevolg is dat je als meer ervaren eter in zulke restaurants een verschansende houding achter je bord aanneemt. Met één hand houd je losjes, maar klemvast het bord in je greep, met de andere hand dient het glas te worden gecontroleerd. Geen moment mag de concentratie verslappen, want vanuit de coulissen houdt de bediening scherp in de gaten of de laatste hap nadert.

Na deze ervaringen dacht ik voor het eerst in mijn leven met enig heimwee aan het horecapersoneel in Nederland. Die verrukkelijke traagheid waarmee men je hier bedient! Dat zo lang mogelijk negeren van de klanten als het een beetje druk is! De onbeschoftheid waarmee men op je klagelijke geroep reageert! („U ziet toch dat ik het druk heb?”)

Daarom was ik blij dat we na een weekje naar Wenen verkasten. Daar mocht ik weer net zo lang over mijn drankje doen als ik wilde.

Toch mag ik ook de Oostenrijkse voedselsituatie niet idealiseren. Misschien is mijn smaak veranderd, ik had in ieder geval meer dan ooit last van de daar heersende culinaire gewoonte om elk stuk vlees of vis in een dikke, bruine paneerlap te wikkelen. Meestal at ik de inhoud op en gaf ik de lappen terug. Ze werden dankbaar meegenomen. Ze konden er altijd nog iemand anders een plezier mee doen.