C’est triste, Venise

De burgemeester van Venetië voorspelde deze week dat zijn stad nog vóór ze door de zee is opgeslokt, zal zijn ondergegaan aan het toerisme.

In Het Parool las ik een alarmerend verslag.

„Venetië”, stond er, „behoort tot de 25 belangrijkste attracties ter wereld. Iedereen wil de stad wel eens zien en vanwege de vele goedkope vluchten wordt de stad nu overspoeld door toeristen. Vorig weekeinde werd het record gevestigd van 150.000 bezoekers op één dag.”

Je moet er niet aan denken.

„Het merendeel van de vreemdelingen”, vervolgde het bericht, „kan zich geen kopje koffie op het Piazza San Marco permitteren, laat staan een lunch aan het Canal Grande, of een kamer in een van de hotels. Venetië is duur, en dus boekt men een overnachting in het nabijgelegen Mestre. Eten en drinken worden vandaar meegenomen of aan een stalletje gekocht, en ten slotte op de trappen van de oude Dom of voor het Dogepaleis verorberd. Niemand in de stad verdient nog een cent aan deze menigtes. De autochtone bevolking vertrekt – 1.500 inwoners per jaar.”

Samengevat:

„Blote, bezwete bovenlijven, zelfgesmeerde broodjes en bergen afval aan het eind van de dag: zo ziet Venetië het massatoerisme. Om het verval te keren is een zedenpolitie in het leven geroepen, en zijn fatsoensregels opgesteld.”

Waarom weren ze de armoedzaaiers niet aan de stadsgrens? Misschien is dat niet meteen een humaan idee – ik hoor de leden van GroenLinks en SP al verontwaardigd naar de interruptiemicrofoon lopen – maar de oplossing die ik al jaren koester gaat ook eigenlijk uit van een veel algemener ontmoedigingsbeleid, dat niet zozeer om zedenpolitie vraagt (die pas kan optreden als het volk met z’n blote bezwete bovenlijf al bijna de Bijenkorf is binnengelopen), als wel om een bij Nieuweschans, Arnhem, Wuustwezel en op Schiphol geposteerde instantie die ik de smaakdouane zou willen noemen.

Goed geïnstrueerde, beleefde ambtenaren die een Duits echtpaar zien aankomen van wie de vrouw echt te dik en vormeloos is, nemen de twee bijvoorbeeld even apart, bieden ze een kopje koffie aan en leggen intussen uit dat we in Nederland zelf al niet de allermooisten zijn – en dan u er nog bij, mevrouw, we hebben terwijl u uitstapte nog een polaroidje van u genomen, en kijk nou zelf, u zult toch moeten toegeven dat dat naast onze mooie tulpen en sierlijke molens, of te midden van de kunstwerken in het Van Goghmuseum, toch eigenlijk geen gezicht is?

Met die gedachte heb ik vaak gespeeld. Nogmaals: vriendelijke, begripvolle toon. We hebben het niet over Engelse dronkelappen die via de luchthaven proberen te infiltreren en die je wat mij betreft desnoods achter mekaar de retourvlucht weer in mag knuppelen. We hebben het over voor rede vatbare vreemdelingen die na een goed gesprek in negen van de tien gevallen ook zelf zullen erkennen dat ze slecht in ons landschap passen, en die je met een Delfts blauw bordje, of een groepsportret van de koninklijke familie of een door Balkenende gesigneerd fotoboek als tevreden mensen weer naar Dortmund kunt terugsturen.

Maar wat blijkt in Venetië? Ik citeer nog eenmaal Het Parool:

„Het roer moet om. Het idee van een toegangsticket heeft de burgemeester moeten laten varen: bezwaren uit Brussel.”

Bezwaren uit Brussel!

Een kroonjuweel van de Europese Gemeenschap wordt letterlijk onder de voet gelopen door miljoenen profiteurs die nog te beroerd zijn geweest om een paar jaar krom te liggen om een duur hotel aan het Canal Grande te kunnen betalen – en Barroso, dat stuk verdriet, weigert toestemming voor poorters aan de grens, die niemand toelaten wier gezicht ze niet bevalt.

We moeten echt een stuk minder sentimenteel worden als het om internationale, en zeker Europese solidariteit gaat.