Zo jong nog maar en al de snelste

De Britse media noemen Lewis Hamilton de Tiger Woods van de Formule 1.

In zijn eerste drie races stond Hamilton al drie keer op het erepodium.

Beter dan drievoudig wereldkampioen Ayrton Senna, beter dan vijfvoudig kampioen Juan Manuel Fangio, beter zelfs dan Michael Schumacher, de Duitser die vorig jaar afscheid nam van de Formule 1 met een record van zeven wereldtitels: geen van die illustere kampioenen slaagde er de afgelopen 58 jaar in te doen wat de Brit Lewis Hamilton presteerde bij zijn debuut dit jaar in de populairste autosportdiscipline ter wereld: in zijn eerste drie races drie keer op het podium én op kop in het wereldkampioenschap.

In de Grote Prijs van Spanje op het Circuit de Catalunya in Barcelona was hij de man die de meeste aandacht voor zich opeiste. Door zijn tweede plaats – de derde dit seizoen – werd hij in de WK-stand de jongste leider in de geschiedenis van de Formule 1, met 22 jaar, vier maanden en zes dagen. Daarmee sneuvelt het record van Bruce McLaren, oprichter van het team waar Hamilton nu voor racet. De Nieuw-Zeelander was in 1960 één maand en twee dagen ouder toen hij de leiding nam in de WK-stand.

Vier races heeft Hamilton nu gereden, en hij heeft zijn plaats in de geschiedenisboeken van de Formule 1 al veroverd. Een jongensdroom. „Maar ik beleef hem en hij is echt”, glunderde Hamilton zondag. De eerste debutant die wereldkampioen wordt? „Dat zien we wel bij de laatste race”, aldus Hamilton.

„Ik ben zelf ook enorm onder de indruk van Lewis”, lacht vader Anthony, die na de Grote Prijs zijn tranen de vrije loop liet. Als zijn zoon iets wil, dan gebeurt het ook. En die dadendrang heeft hij niet van een vreemde.

Anthony Hamilton kwam op zijn derde samen met zijn familie van Grenada naar Groot-Brittannië. Hij werd kaartjesverkoper bij British Rail, maar wilde hogerop, deed avondschool en richtte zijn eigen bedrijfje op. Toen Lewis twee was, gingen Anthony en Lewis’ moeder uit elkaar. Anthony nam de opvoeding van de kleine Lewis op zich en probeerde zijn liefde voor autosport over te brengen op zijn oudste zoon.

Dat lukte snel. Eerst nog met speelgoedautootjes, maar al op zijn vijfde ging Hamilton karten. Het racen werd even opzij geschoven voor een cursus karate – dat bleek de beste remedie om het racistische gepest op school een halt toe te roepen. Maar racen zat de kleine Lewis te veel in het bloed. Op zijn achtste won hij zijn eerste kartwedstrijd, hij werd geselecteerd voor een talentenjacht met jonge coureurs op televisie.

Een jaar later stond hij na een gewonnen race met zijn handtekeningenboekje voor Ron Dennis, de grote baas van het Formule 1-team van McLaren. Of die hem een kans wilde geven. „Kom over een jaar of vijf maar terug, als je meer gewonnen hebt”, schreef Dennis in het boekje. Drie jaar later belde Dennis hem zelf op. Hamilton mocht als twaalfjarige deel gaan uitmaken van het opleidingsprogramma van McLaren.

„Dat hij als negenjarige zelf op Dennis afstapte, toont zijn moed. Daarna ging het snel. Voordien was het gewoon vader en zoon die gingen racen, maar toen werd het ernst”, vertelt Anthony Hamilton. Hij probeerde zijn zoon te stimuleren om ook aandacht te besteden aan zijn schoolwerk, maar tevergeefs.

De professionele begeleiding die Hamilton kreeg, betaalt zich nu terug. Vader Hamilton moest lange tijd de eindjes aan elkaar knopen om zijn oudste zoon te laten racen. Na zijn dagtaak ging hij nog rond om ‘For Rent’-bordjes in voortuinen te plaatsen. Voor 15 pond per stuk. Nu verdient Lewis in de Formule 1.500.000 pond (731.000 euro) per jaar, en dat wordt volgens marketingspecialisten nog veel meer.

De populariteit in Engeland neemt al Beckham-achtige vormen aan. De kijkcijfers voor Formule 1 op de Britse commerciële zender ITV zijn dit seizoen met een kwart toegenomen, zegt tv-analist en oud-F1-coureur Mark Blundell. „Lewis is een geschenk uit de hemel voor de Formule 1. Hij racet fantastisch, haalt resultaten, blijft altijd rustig, praat goed en hij ziet er leuk uit. En hij is de eerste zwarte in een sport die gedomineerd wordt door blanke jongens uit de middenklasse. Maar Lewis is ook gewoon de boy next-door die het succes krijgt dat hij verdient.”

Die combinatie was voor de Britse tabloids, al sinds de laatste wereldtitel van Damon Hill in 1996 smachtend naar nieuw Brits succes in de Formule 1, voldoende om hem om te dopen tot de Tiger Woods van de paddock, want volgens de kranten ligt de vergelijking met de zwarte golfer voor de hand. Hamilton zelf kan er weinig mee. „Ik vind Tiger een fantastische atleet. Maar ik ben Lewis Hamilton.”

Van dat soort opmerkingen of de hooggespannen verwachtingen heeft Hamilton geen last. „Nooit gehad eigenlijk”, zegt zijn vader. Terwijl er toch een groot verschil is tussen een talentvol coureur zijn en het ook nog eens waarmaken op het hoogste niveau. „Hij legt zichzelf de meeste druk op, dus wat anderen zeggen doet hem weinig. Hij zei zelf al op zijn negende dat hij wereldkampioen wil worden. Dat zegt hij nog steeds. Maar niet te veel, want ons devies is toch: be seen and not heard. Laat de resultaten voor zich spreken. En Lewis blijft wel met beide voeten op de grond. Als je in de Formule 1 zit, kan je in Monaco gaan wonen of normaal blijven doen. Wij kiezen voor dat laatste. Lewis gaat nog met zijn vroegere vrienden om. En thuis rijdt hij in een Smart en poetst hij zonder morren gewoon de auto van zijn trotse pa.”

Ook Adrian Sutil denkt niet dat Hamilton snel gaat zweven. Sutil, die dit jaar ook debuteert in de Formule 1 voor het Nederlandse Spyker, was in 2005 Hamiltons teamgenoot in de Formule 3 Euroseries. Hamilton won, Sutil werd tweede. „Dat was leuk. Je kan heel goed lol trappen met Lewis, hij is een heel aardige jongen. We spreken elkaar nog vaak. Via msn of mail of de telefoon. En dan hebben we het zelden over racen. Wel over de andere leuke dingen in het leven.”

Hoewel racen voor Hamilton toch het leukste blijft. „Er is geen geheim. Hij vindt het vooral fun, altijd zo geweest”, zegt vader Hamilton. „Andere jongens wilden voetballen in het park. Lewis wilde karten of racen. Alleen kan dat niet in het park. Eigenlijk is hij sinds die eerste dagen nog niets veranderd, hij is nog steeds dat jongetje dat gek is van racen. Want je moet ook wel een beetje gek zijn om deze ‘baan’ te kunnen volhouden.”