Winst van Sarkozy is geen liberaal signaal

Het is onjuist om de uitslag van de Franse verkiezingen af te schilderen als een grote Europese stap richting de zegeningen van het neoliberalisme, meent Daniel Mügge.

De grote zege van Nicolas Sarkozy is het teken dat de Fransen eindelijk de zegeningen van de markteconomie erkennen, stelt Roger Cohen op de Opiniepagina van 9 mei. Frankrijk heeft zijn bijgeloof in staatsinterventie overwonnen en kiest uit eigen belang voor de werking van de vrije markt, zo valt af te leiden uit de tien lessen die de columnist van The New York Times trekt uit de verkiezingsuitslag. De verlamming die ‘oubollig’ links Frankrijk jaren heeft opgelegd is volgens hem doorbroken. Cohens lessen doen echter geen recht aan de feiten.

De overwinning van Sarkozy was niet zo denderend als Cohen stelt: 53 procent tegenover 47 procent voor Ségolène Royal. Een echte aardverschuiving ziet er anders uit. Frans links is dan ook zeker niet ‘op sterven na dood’. Royal heeft in de tweede ronde 16.79 miljoen kiezers achter zich verzameld – de meeste stemmen ooit voor een linkse kandidaat in de Franse presidentsverkiezingen. Zelfs Mitterrand heeft dit nooit gehaald. Was haar tegenstander niet de charismatische Sarkozy geweest had zij een goede kans gemaakt. Royal heeft haar zwakke positie nu te danken aan antipathie van de elite van de socialistische partij, niet aan gebrekkige steun voor linkse ideeën van de bevolking.

Zeker is dat de Franse kiezers niet op Sarkozy stemden omdat zij in hem de advocaat voor vrije marktwerking zagen. Volgens de meest recente eurobarometer, de grootste opiniepeiling binnen de EU, ziet maar liefst 64 procent van de Fransen globalisering als een bedreiging voor nationale bedrijven en werkgelegenheid. Dat is het hoogste percentage binnen de hele EU.

Bovendien stáát Sarkozy ook niet voor vrije marktwerking. Dergelijke retoriek gebruikt hij louter als het bij zijn doelen past – bijvoorbeeld om de arbeidsmarkt te liberaliseren. In 2004, toen Sarkozy minister van Financiën was, schokte hij zijn EU-collega’s door meer staatsinterventie in het Europese rentebeleid te eisen. Het was dan ook Sarkozy die drie jaar geleden een bod van het Duitse Siemens op het Franse Alstom om zeep hielp. Dit alles onder het motto van het nationaal belang. De afgelopen dagen oogstte Sarkozy kritiek omdat hij het neoliberale monetair beleid van de Europese Centrale Bank verantwoordelijk stelde voor de hoge Franse werkloosheidscijfers. Sarkozy’s geloof in marktwerking blijft dus duidelijk ondergeschikt aan zijn trouw aan Franse nationale belangen – of zijn visie daarop. Daarom is het onzin om Sarkozy’s verkiezingszege te interpreteren als de reïncarnatie van Frankrijk als neoliberale maatschappij.

Maar hoe kwam Cohen überhaupt bij zijn interpretatie? Het leest alsof hij een heel andere boodschap wil doorgeven die met de verkiezingen niets te maken heeft. Namelijk dat Europa er goed aan doet te beseffen dat linkse ideeën failliet zijn. In dat geval zou Europa de ‘afhankelijkheidscultuur’ vaarwel kunnen zeggen, die momenteel een fatsoenlijk ‘arbeidsethos’ – zoals in de VS en Groot-Brittannië – blokkeert.

Cohen heeft gelijk: hard werken moet beloond worden. Een politiek die hard werk beloont moet dus diegenen te steunen, die ondanks volle inzet – om bijvoorbeeld vuilophalers te noemen – alsnog met het minimumloon naar huis gaan. Maar het minimumloon verhogen, dat wilde Sarkozy juist niet.

De stelling dat de Franse economie niet op gang komt omdat Fransen te weinig werken door de verplichte 35-urige werkweek is twijfelachtig. De doorsnee Franse werknemer werkt per dag een half uur langer dan de gemiddelde Duitser, en bijna een uur langer dan de gemiddelde Nederlander. Ondanks kortere werkweken is dus zowel de Duitse als de Nederlandse economie weer overeind gekrabbeld.

Eén ding is zeker: op het belangrijkste structurele probleem waarmee Frankrijk worstelt – de leegloop van het platteland vanwege de deïndustrialisering – zou men door marktwerking alleen zeker geen grip krijgen. In tegendeel: dit vraagt om doordachte overheidsmaatregelen.

Cohen durft te stellen dat de Britten een schoolvoorbeeld zijn van hoe je kunt hervormen „zonder het traditionele niveau van sociale voorzieningen los te laten”. Maar wie rondloopt in troosteloze Britse voorsteden, ziet dat dit niet klopt. Waarom is het werkloosheidspercentage in Groot-Brittannië nog geen vijf procent? Omdat alleenstaande werklozen 85 euro uitkering in de week krijgen, einde verhaal. Daar komt niemand van rond en neemt men noodgedwongen elk flutbaan aan. Onlangs publiceerde UNICEF een rapport over blijdschap van kinderen in industrielanden. Helemaal bovenaan stond Nederland – het land binnen de OECD waar het minst gewerkt wordt en mensen daarom meer tijd hebben voor kinderen. Hekkensluiters van de lijst – de landen met de minst blije kinderen – waren Groot-Brittannië en de VS, vooral omdat veel kinderen onder de armoedegrens leven. Mooie voorbeelden zijn dat.

Cohens interpretatie van de Franse verkiezingen is op zijn zachtst gezegd avontuurlijk. Hij schildert deze af als een grote Europese stap in de richting van de zegeningen van het neoliberalisme. Meer nog, hij suggereert dat het eigenlijk, als we goed bij ons hoofd zijn, helemaal geen andere kant op zou kunnen gaan. Maar het doel van verkiezingen is juist om keuzes te maken. Laten we dus hopen dat democratische maatschappijen voor zichzelf meer dan alleen het neoliberalisme als alternatief blijven zien.

Daniël Mügge doet aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar Europese integratie.