Waarde van vmbo-diploma: 0,0

Het vmbo-diploma is nagenoeg waardeloos op de arbeidsmarkt.

Schaf daarom het vmbo-examen af en zorg dat de leerlingen doorstuderen.

Het vmbo-diploma stelt eigenlijk niets voor, zo was te lezen in een artikel in nrc.next van 8 mei. Het ministerie van Onderwijs betitelt jongeren met een vmbo-bewijs zelfs als ‘vroegtijdig schoolverlaters’. Het diploma telt, in tegenstelling tot andere diploma’s in het middelbaar (beroeps)onderwijs, immers niet als startkwalificatie. Het geeft leerlingen ook geen recht op sociale voorzieningen. Het is, kortom, een nagenoeg waardeloos papiertje.

Vmbo-leerlingen zouden moeten doorstromen naar het mbo. Het oorspronkelijke doel van het vmbo was ook om de aansluiting van het middelbaar onderwijs met het mbo te verbeteren. Daar komt echter weinig van terecht. Veel jongeren studeren niet door of stoppen vroegtijdig met hun mbo-opleiding. Van het gehele voortgezet onderwijs heeft het vmbo het hoogste percentage voortijdige schoolverlaters, namelijk zes procent; in het mbo ligt het zelfs op tien procent. Zo wordt veel talent verspild. Jongeren komen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt en maken dus weinig kans op een baan.

Waarom haken veel leerlingen van het vmbo te vroeg af? Dat heeft ten eerste te maken met motivatie. Ze moeten al vroeg, in het tweede schooljaar, kiezen voor een toekomstig leertraject. Hierdoor wordt de kans op verkeerde keuzes groter. Eenmaal op het verkeerde traject wordt de wil om verder te studeren vaak kleiner. Ten tweede is het lesprogramma onvoldoende afgestemd op de wensen van de student; het laatste schooljaar wordt vooral besteed aan ‘oude’ lessen ter voorbereiding op de eindexamens. Leerlingen leren dan niets nieuws.

De aansluiting tussen het voorbereidend en het middelbaar beroepsonderwijs moet dus beter. Dat kan door het vmbo om te vormen tot een vierjarige basisopleiding, waarin iedere leerling zich kan oriënteren op zijn verdere studiekeuze. Deze basisopleiding mag beslist geen eindstation zijn, maar moet juist het begin zijn van verder studeren.

Daarvoor moet ook het centraal eindexamen worden afgeschaft. Zo wordt allereerst niet de indruk gewekt dat de leerling na vier jaar klaar is met zijn opleiding. Bovendien wordt het laatste jaar niet onnodig verspild aan herhaling van lessen. De leerling kan in plaats daarvan beter beoordeeld worden op zijn prestaties, gekoppeld aan een advies van de school. Door het ontbreken van een specifiek ‘eindpunt’, zal de overgang van basisopleiding naar vervolgopleiding vanzelfsprekender zijn dan nu het geval is.

Ook wordt de keuze voor een vervolgstudie op deze manier uitgesteld tot na het vierde jaar. De leerling is dan twee jaar ouder en zal beter weten wat hij wil. Bovendien krijgt hij tijdens de basisopleiding meer kans om in aanraking te komen met verschillende sectoren. Er is meer tijd om deel te nemen aan praktijklessen of korte cursussen, om zo een beter beeld te vormen van de mogelijkheden die er zijn.

Tot slot is een voordeel van de basisopleiding dat er minder onnodige overlap met het lesprogramma op het mbo zal zijn. Alle leerlingen hebben immers dezelfde basis gehad; ze zullen allen hetzelfde startniveau hebben. Nu komt het nog vaak voor dat een leerling in het tweede jaar van het vmbo voor een andere sectorspecialisatie had gekozen dan hij uiteindelijk op het mbo volgen wil. De eerste tijd van de mbo-opleiding wordt dan noodgedwongen aan onnodig bijspijkeren besteed.

Met het eerst-kennen-dan-kiezensysteem kan het aantal schoolverlaters zonder diploma worden verlaagd. Leerlingen worden immers gestimuleerd langer een opleiding te volgen omdat ze meer ruimte krijgen om een weloverwogen keuze te maken over hun specialisatie, door het centraal examen als eindpunt weg te nemen en de onnodige overlap tussen vmbo en mbo te verminderen. Na vier jaar basistraject is er geen abrupt einde meer, maar krijgt de schoolcarrière een doorlopende lijn. Dat zou van het vmbo eindelijk weer een werkelijk nuttige opleiding maken.

Ton Monasso en Jonneke de Koning zijn respectievelijk voorzitter en portefeuillehouder onderwijs van de Jonge Democraten.

Voor vragen over het primaire en voortgezet onderwijs kunt u terecht bij het portaal 50tien.nl