Strafvordering is geen trukendoos

Het strafrecht treedt buiten zijn grenzen, waarschuwen vakmensen. Ook krijgt het Openbaar Ministerie de bevoegdheid om te straffen. Maar dat wordt verdoezeld.

In een recent onderzoek van de rechtbank en de juridische faculteit van de Universiteit Utrecht zeiden niet alleen advocaten maar ook strafrechters zelf dat er sprake is van een onberedeneerde en ongenuanceerde uitbreiding van het strafrecht. Dit is volgens hen „harder, kaler, sneller en minder goed” geworden.

In haar jongste kroniek in het Juristenblad noemt de hoogleraar strafrecht en advocaat Taru Spronken het „verwonderlijk dat maatregelen waarvan vele zo’n tien of vijftien jaar geleden ondenkbaar waren, nu nauwelijks tot maatschappelijke discussie leiden”.

Alleen al deze ene kroniek signaleert „drie wetten die de toegang tot de rechter beperken”, alle drie met hun eigen vragen:

Videoverhoren. Het horen van verdachten of getuigen door de rechter op afstand is praktisch. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot het Europees verdrag voor de rechten van de mens, dat uitgaat van het recht van de verdachte op persoonlijke aanwezigheid tijdens de behandeling van zijn zaak.

De strafbeschikking, het opleggen van straf door een officier van justitie in plaats van de rechter. Deze eigen strafbevoegdheid voor het Openbaar Ministerie zal een „enorme impact op de praktijk” hebben, aldus Spronken. Het Openbaar Ministerie heeft toegegeven dat deze bevoegdheid verder gaat dan in andere Europese landen.

Stroomlijning van het hoger beroep. De toelating van zaken wordt gefilterd en partijen worden verplicht zich te beperken tot wat hun precies dwarszit in het vonnis waartegen zij beroep aantekenen. Dat komt de zogeheten „proceseconomie” ten goede, maar het is óók een breuk met het beginsel dat hoger beroep een nieuwe behandeling van de zaak meebrengt. Deze breuk draagt verder bij aan het toch al populaire ‘piepsysteem’ waarbij de rechter alleen in actie komt als de verdediging daarom vraagt.

„Waar geen verweer wordt gevoerd, bestaat daaraan kennelijk geen behoefte en de rechter mag zich daarnaar richten”, heet het in de jurisprudentie. Dat is één kant van ons strafprocesrecht. Er is ook een andere. De rechter (en trouwens ook het Openbaar Ministerie) heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de fairheid waarmee het proces wordt gevoerd. Deze kan niet worden afgewenteld op de alertheid van de verdediging.

De hogere eisen aan de raadsman zijn trouwens niet gekoppeld aan meer mogelijkheden voor zijn aanwezigheid tijdens het vooronderzoek en een heldere afbakening van verantwoordelijkheden in het proces zelf, noteert de hoogleraar en advocaat Stijn Franken in het tijdschrift voor strafrecht Delikt en Delinkwent. Na de Schiedamse parkmoord werd al geklaagd over onvoldoende ruimte voor tegenonderzoek door advocaten.

Het Wetboek van strafvordering dreigt steeds meer te worden gehanteerd als „een soort trukendoos”, zei plaatsvervangend procureur-generaal Egbert Myjer in 1999 op een werkconferentie. Hij is nu rechter in het Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg en kan er dus wat aan doen. In de typering van Myjer past bijvoorbeeld het gemak waarmee de Hoge Raad dubieuze bewijsmiddelen dekt die zijn aangeleverd door particulieren. Zoals verborgen geluidsopnamen door een klaagster in een zedenzaak. De recorder was verschaft door de politie, die zelf buiten schot dacht te kunnen blijven. De Hoge Raad accepteerde dit omdat de rol van de politie „niet wezenlijk” zou zijn geweest. Geen woord over het OM, dat wordt geacht dubieuze methoden tegen te gaan. Het Hof in Straatsburg vond dat de politie particulieren niet mag gebruiken om onder de wettelijke regels voor de opsporing uit te komen.

Een veeg teken is niet in de laatste plaats het verhullend taalgebruik bij verscherping van de strafrechtspleging. Het afnemen van DNA-materiaal wordt betiteld als een „vingerafdruk” terwijl DNA veel gevoeliger persoonsinformatie bevat. De zogeheten stroomlijning van het appèlrecht vormt een beperking van een door de VN gegarandeerd grondrecht. De strafbevoegdheid van het OM vormt een klinkklare breuk met het grondwettelijk beginsel dat de berechting van strafbare feiten is voorbehouden aan de onafhankelijke rechter.

De vorige minister van Justitie Donner wrong zich in bochten om dit laatste toe te dekken. De Grondwet spreekt over „berechting” en niet over bestraffing, zei hij, dus valt een strafbeschikking daar niet onder. Dat is een sofisme, zoals werd opgemerkt in de Eerste Kamer – die wél akkoord ging. De mensen zijn allang gewend aan een transactie met het OM, zei Donner. Dus wat is het verschil? Een transactie is, zoals het woord al zegt, een schikking en niet een eenzijdig besluit. Dat is een principieel verschil. Het siert de justitie niet als zij er het kennelijk van moet hebben dit voor de burgers te verdoezelen.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl