Senaat: politici maken onuitvoerbare wetten

Beleidsmakers en wetgevers houden te weinig rekening met de uitvoerbaarheid van hun plannen, concludeert de Eerste Kamer. Ze zouden vooraf beter moeten luisteren naar uitvoerders.

Taxibedrijven moeten met elkaar concurreren, maar de prijzen zijn er niet van gedaald. Er is één minister voor Jeugd gekomen, maar het jeugdbeleid zelf valt nog onder zeven ministers – terwijl versnippering hét probleem van het jeugdbeleid is. Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten het land uit, maar de overheid weet meestal niet of ze dat ook doen. De Belastingdienst moest snel de uitbetaling van de zorgtoeslag en huursubsidie aan honderdduizenden burgers organiseren. Het zorgt al anderhalf jaar lang voor problemen bij de ooit soepel draaiende dienst.

Het lijkt vanzelfsprekend dat wetten en beleid van de overheid goed doordachte pogingen zijn om problemen in de werkelijkheid op te lossen. Maar dat is het niet. „Beleid faalt structureel in de uitvoering, wetten worden niet uitgevoerd of komen in het gunstigste geval op de grote stapel.” Het staat in een vandaag verschenen rapport over het wetgevingsproces dat in opdracht van de Eerste Kamer is geschreven.

Niet alleen de Eerste Kamer maakt zich daar zorgen over. Vier jaar geleden trok de Algemene Rekenkamer dezelfde conclusies. Politici en bestuurders nemen „al enkele decennia te veel hooi op de vork”. Het gevolg: uitvoerders worden overstelpt door een zich opstapelende berg beleid en wetten, die vervolgens slecht of niet uitgevoerd blijven liggen. Ook andere overheidsadviseurs, zoals de Nationale Ombudsman en de Raad van State waarschuwen herhaaldelijk voor onuitvoerbare, onnodige of onverstandige wetgeving.

Dat de conclusies vier jaar later niet anders zijn, ondersteunt de analyse van de Rekenkamer. Een van de oorzaken van het probleem: „het kennelijke onvermogen om lessen van het verleden te leren”. Er is volgens al die adviseurs een kloof tussen de mensen (politici en ambtenaren op ministeries) die de wetten bedenken, en de mensen die ze uit moeten voeren. De schuld ligt niet bij de uitvoerders, maar bij politici, die grote ambities hebben, maar zich nauwelijks druk maken over de uitvoerbaarheid van wat ze bedenken.

Na het rapport van de Rekenkamer vroeg de Eerste Kamer de regering om al bij het maken van wetten en beleid de mening te vragen van mensen die de plannen later moeten uitvoeren. Dat is gebeurd: verschillende ministeries hebben wetgevingsprotocollen, effectbeoordelingen of wetstoetsen opgezet om te garanderen dat uitvoerenden betrokken worden, maar het levert vooral „een papieren werkelijkheid” op, concludeert de Eerste Kamer.

Als het al gebeurt, vragen ambtenaren aan organisaties die wetten moeten gaan uitvoeren vooral om hun mening om erachter te komen hoe groot de tegenstand zal zijn, en hoeveel die tegenstand gaat kosten, denken de rapporteurs.

Er is dan ook een „fundamenteel andere aanpak” nodig, schrijft de Senaat. „Er zijn ook beleidsambtenaren nodig die nieuwsgierig zijn naar de eigen kwaliteit, professionaliteit en rationaliteit van de uitvoering en het belang daarvan weten te waarderen, maar vooral ook politici die in staat zijn om in samenspel met relevante betrokkenen op basis van eenduidige, juiste, tijdige, volledige en goed georganiseerde informatie per geval na te gaan of nieuwe wetgeving wel het gepaste instrument is en dus ook durven te besluiten om naar alternatieven te zoeken.”

Of die fundamenteel andere aanpak kansrijk is? Tjeenk Willink, vice-president van de Raad van State, schrijft dat Kamerleden „zichzelf kritisch moeten afvragen of onuitvoerbare wetgeving ooit zal worden tegengehouden als de politieke werkelijkheid van regeerakkoord en coalitiebelang die wetgeving toch noodzakelijk maken”. Als dat zo is, dan heeft beter luisteren naar uitvoerders volgens Tjeenk Willink weinig zin, en kan het parlement beter eens goed naar zichzelf kijken.