Ook Nederlander houdt eigen paspoort

De kritiek op Marokkanen en Turken die naast het Nederlandse paspoort ook hun eigen wensen te behouden, is schijnheilig, omdat Nederlanders in het buitenland dat zelf ook meestal doen, betoogt Ulli d’Oliveira.

Het debat dat over ons land raasde over de wenselijkheid en onwenselijkheid van het bezitten van meerdere nationaliteiten, waaronder de Nederlandse – en dat nog zal voortduren – wordt uiterst eenzijdig gevoerd. De aandacht is volledig gericht op mensen die, in het bezit van een andere nationaliteit, het Nederlanderschap verwerven zonder van die oorspronkelijke nationaliteit afstand te doen (of afstand te kunnen doen). Het wordt als abnormaal ervaren dat mensen een meervoudige nationaliteit hebben.

Maar is het wel zo afwijkend en is Nederland echt zo tegen het bestaan van meervoudige nationaliteit? Zoals werd vastgesteld in de speciale uitgave over de Nederlandse emigranten (28 april 2007) is een vast onderdeel van bezoeken van ons staatshoofd aan het buitenland een ongedwongen bijeenkomst met de Nederlandse émigrés. Nederland wil die émigrés dus wel graag vastkitten aan het land van oorsprong. Omgekeerd weigeren deze Nederlanders overwegend de vreemde nationaliteit aan te nemen, omdat zij daardoor vaak de Nederlandse verliezen. En dat hebben zij liever niet, hoe lief het nieuwe woonland hen ook is. Wat wij van immigranten in Nederland wantrouwen, wakkeren wij aan bij onze eigen emigranten.

Laten we de bijdrage die onze Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) levert aan het ontstaan van meervoudige nationaliteit eens bezien. Wat gebeurt er in het spiegelbeeldige geval met Nederlanders die vrijwillig een andere nationaliteit verwerven? In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat Nederland meer waarde is gaan hechten aan de gelijkheid van man en vrouw dan aan de behoefte om zoveel mogelijk ervoor te zorgen dat binnen een gezin één nationaliteit troef is. Elk kind van een Nederlandse vader of moeder wordt Nederlands bij geboorte, ook al krijgt het van de buitenlandse andere ouder ook diens nationaliteit mee. Nooit heeft Nederland de eis gesteld, zoals in sommige andere wetgevingen, dat het kind bij het bereiken van de meerderjarigheid een keus maakt en bijvoorbeeld van het Nederlanderschap afstand doet. Het afstammingsbeginsel dat het zwaartepunt van ons nationaliteitsrecht vormt brengt mee, dat wij het Nederlanderschap van het kind van een Nederlandse ouder zoveel mogelijk vasthouden, tot in het zoveelste geslacht. Ook als het kind zelfstandig de nationaliteit van de andere ouder wenst te verkrijgen, behoudt het de Nederlandse nationaliteit, zolang het een Nederlandse ouder heeft.

Ook meerderjarigen wordt het vergund in talrijke gevallen hun Nederlandse nationaliteit vast te houden, ook al verwerven zij vrijwillig een andere nationaliteit. Dat is bijvoorbeeld het geval als zij in dat andere land geboren zijn en daar op het moment van hun naturalisatie ook woonachtig zijn.

Ook als zij daar al minstens vijf jaar gewoond hebben mogen zij de Nederlandse nationaliteit houden, en hetzelfde geldt als zij getrouwd zijn met iemand van die andere nationaliteit. Kinderen en kindskinderen van die Nederlanders worden ook weer bij hun geboorte van rechtswege Nederlander.

Wel verliezen Nederlanders die ook een andere nationaliteit bezitten en die langer dan tien jaar ergens buiten Nederland wonen in beginsel hun Nederlanderschap. Maar dit beginsel kent meer uitzonderingen dan regel. Wie bijvoorbeeld in de landen van de EU woont, verliest zijn Nederlanderschap na tien jaar niet. Europa wordt hier gelijkgesteld met het vaderland. Maar ook degenen die elders in de wereld hun tenten hebben opgeslagen, kunnen het verlies makkelijk blokkeren door eens in de tien jaar een Nederlands paspoort aan te vragen of een verklaring te vragen dat zij Nederlander zijn. Dit zijn wel heel lichte tekenen van hun voortdurende verknochtheid en loyaliteit aan Nederland. Anders gezegd: Nederland wil graag de geëmigreerde Nederlanders aan hun oorsprongsland binden.

Zo zijn er veel meer voorbeelden te geven van de manieren waarop Nederland meervoudige nationaliteit laat ontstaan en in stand houdt. In het licht van dit gegeven is de discussie over de meervoudige nationaliteit van nieuwe Nederlanders volledig uit het lood geslagen.

Het is ongeloofwaardig om van immigranten exclusief Nederlanderschap en exclusieve loyaliteit ( bij het VVD-Kamerlid Kamp met nadruk ‘exclusieve oriëntatie’ geheten) te vergen, en tegelijk in ruime mate Nederlanders in het buitenland toe te staan het Nederlanderschap te behouden naast hun buitenlandse nationaliteit, compleet met stemrecht voor ons parlement. Hoezo exclusieve loyaliteit aan het woonland?

Er hoort naar mijn mening een hoge mate van symmetrie te bestaan tussen de bepalingen over buitenlandse immigranten die het Nederlanderschap verwerven of verworven hebben, en Nederlandse emigranten die ook een buitenlandse nationaliteit bezitten of verwerven.

Het bestaan van meervoudige nationaliteit is geen anomalie, maar een doodgewoon uitvloeisel van centrale uitgangspunten van het volkenrecht. Zolang de subjecten van het internationale recht soevereine staten zijn die op voet van gelijkheid het recht hebben om zonder inmenging van andere staten te bepalen wie wel en wie niet als hun staatsburgers beschouwd moeten worden, is het bestaan van overlappingen en onderlappingen gegeven. In het eerste geval treedt meervoudige nationaliteit op, in het tweede staatloosheid. Het laatste is veel erger voor mensen, van het eerste hebben staten vaak meer last. Nationaliteitsrecht is niet in de eerste plaats een instrument voor het creëren van meer vrijheid voor mensen, al zou dat wel wenselijk zijn, maar heeft als functie het demarkeren van staatsvolken, onafhankelijk van wat andere staten daarvan denken. Gevolgen van meervoudige nationaliteit kunnen gecoördineerd tegemoet getreden worden, bijvoorbeeld zoals in het Europees Nationaliteitsverdrag 1996, dat, anders dan eerdere verdragen, op zich een neutrale houding aanneemt tegenover dubbele nationaliteit. Nederland is partij bij dat verdrag. Het ingetrokken wetsvoorstel, naar aanleiding waarvan de Wilders-heisa over een klein deelprobleempje over ons land is losgebarsten, moet maar even op hold gezet worden tot de kruitdamp opgetrokken is. Nationaliteitsrecht is een veel ingewikkelder materie dan de meeste deelnemers aan het debat zich realiseren. In de tussentijd kan dan geprobeerd worden iets evenwichtigs op tafel te leggen, áls wijziging van de RWN al nodig zou zijn.

H.U. Jessurun d’Oliveira is oud-hoogleraar migratierecht aan de UvA. Op 21 mei neemt hij deel aan een debat over dit onderwerp in De Rode Hoed, georganiseerd door NRC Handelsblad. Reserveren: www.rodehoed.nl of 020-6385606.