De Hiwi stierven vroeg en gewelddadig

Jagers en verzamelaars leiden een hard bestaan en worden niet oud. Hoe was dat vóór zij in contact kwamen met de buitenwereld? Antropologen ondervroegen Zuid-Amerikaanse indianen over ‘de tijd van isolement'.

Een pretje was het niet, om te leven als Hiwi-Indiaan in het vochtige savannegebied langs de Capanaparo in het zuiden van Venezuela. Gelukkig duurde het leven van deze jagers-verzamelaars vaak niet zo lang. Uit een grootscheepse analyse van de sterfte vóór 1960 (toen de Hiwi in contact kwamen met de buitenwereld) blijkt nu dat de levensverwachting in die ‘tijd van isolement’ bij geboorte 27 jaar was. Wie er toen in slaagde de leeftijd van 15 jaar te bereiken, had het statistische uitzicht om te sterven met 46 jaar.

Deze analyse is gebaseerd op uitvoerige gesprekken met Hiwi (ook wel Cuiva genoemd) tussen 1985 en 1992, die geboorte- en sterftedata en vermoedelijke doodsoorzaken opleverden voor in totaal 772 personen. Het onderzoek is gepubliceerd in het aprilnummer van het vooraanstaande vakblad Journal of Human Evolution, door de antropologen Kim Hill, Ana Magdalena Hurtado en Robert Walker van de University of New Mexico.

Hill en Hurtado spreken vrij redelijk de Hiwitaal en kenden de lokale tolk, die Spaans en Hiwi sprak, daarom vrij goed controleren, zo schrijven ze.

De Hiwi leven en leefden van waterzoogdieren uit de rivier, schildpadden en vis en van wilde knollen en vruchten. Hun toestand was tijdens het onderzoek trouwens ook niet erg best. Er was veel lethargie, veel mensen hadden parasieten en extreem lage bloedijzergehalten. De meeste volwassen mannen namen iedere dag hallucinerende drugs en iedereen was bang voor geweld, van binnen de groep of van naburige groepen. Als ze gingen poepen of plassen in de bosjes zetten ze altijd gewapende wachten uit.

Toch was de sterfte sinds 1960 gedaald, ontdekten de antropologen, vooral doordat de sterfte onder volwassenen was afgenomen. Kindersterfte was wel toegenomen, vooral door stijging van de kindermoord op meisjes.

De jaarlijkse volwassenensterfte onder Hiwi kwam in de tijd van isolement – vóór 1960 – neer op 2,3 procent per jaar, ongeveer het dubbele dat bekend is van de paar andere jagers-verzamelaarsgroepen waarvan dit soort gegevens ooit zijn gepubliceerd. Het belangrijkste verschil met deze andere groepen is dat onder de Hiwi de sterfte onder ‘jonge’ volwassenen, tussen 10 en 40 jaar oud, bijzonder groot was – vooral door geweld en ongelukken. Jonge kinderen en oude mensen stierven vooral aan ziektes.

Dit type burgerlijke-standachtige antropologie is belangrijk omdat er maar weinig gegevens zijn over levensduur en sterfte van jagers-verzamelaars die nog niet in contact staan met moderne samenlevingen. En die gegevens zijn weer belangrijk voor een beter begrip van hoe mensen in de verre prehistorie leefden (10.000 jaar en langer geleden), toen er nog geen landbouw was en iederéén jager-verzamelaar was.

Juist in de levenstatistiek onderscheidt de mens, Homo sapiens, zich van andere primaten en mogelijk ook van uitgestorven mensachtigen als Homo erectus of zelfs de nauw verwante Neanderthaler. De menselijke jeugd duurt namelijk ongekend lang en onze ouderdom ook. Chimpansees, bijvoorbeeld, zijn eerder geslachtsrijp en sterven vrij snel nadat ze onvruchtbaar worden. In de rest van de primatenwereld spelen grootouders geen enkele rol, bij mensen wel.

En wat blijkt?

Ondanks alle sterfte waren er onder de Hiwi toch ook redelijk wat oude mensen. Iets meer dan de helft van de vrouwen die vijftien werd, werd ook 45, en van die vrouwen haalde ook weer bijna de helft 70 - een kwart van de vijftienjarige vrouwen werd dus uiteindelijk langdurig oma. Zelfs bij de grote sterfte van de Hiwi kon dus het typisch menselijke driegeneratiesysteem in stand blijven, waarbij grootouders helpen hun kleinkinderen in leven te houden.

Het aantal ouderen bij de Hiwi was wel minder dan bekend is van andere jagersverzamelaars. En zo schrijven Hill en zijn collega’s, heel veel gróter moet de sterfte toch ook niet worden, anders zijn er echt te weinig grootouders.

In de kindersterfte was niet veel verschil met de vier andere ooit onderzochte jagers-verzamelaarsgroepen. In ziekte als doodsoorzaak waren wel veel verschillen. Bij de Hiwi stierf 45 procent daaraan (vooral door ingewandaandoeningen) – een middenpositie in de doodstatistiek van oervolkeren.

Bij de Ache, uit de Paraquayaanse jungle, stierf slechts 20 procent aan ziekte. Bij de Hadza (Tanzania), !Kung (Botswana) en Agta (Filippijnen) lag de sterfte door ziekte op 75 procent.

De dood door geweld is het grootste verschil. Bij de Hiwi werd ongeveer 30 procent van de sterfte veroorzaakt door geweld. Alleen de Ache heeft een vergelijkbaar, zelfs hoger percentage: 55 procent maar liefst. Bij de Hadza, !Kung en Agta was dat maar 3 tot 7 procent.

Hill, Hurtado en Walker vermoeden dat het hogere percentage uit Zuid-Amerika beter de toestand in de oertijd weerspiegelt. Bij de Afrikaanse groepen (de !Kung uit Botswana en de Hazda uit Tanzania) was het onderlinge geweld waarschijnlijk al lang voor de antropologen op het toneel verschenen onderdrukt door vroeg ingrijpen van koloniale of andere hogere autoriteiten – die in de ‘echte oertijd’ natuurlijk ontbraken.

Verder is het opvallend dat Hiwi niet omkwamen door aanvallen van dieren, ofschoon anaconda’s, kaaimannen en piranha’s hen wel eens aanvielen.

Alles bij elkaar genomen betekent dit dat onder deze omstandigheden de evolutionaire selectie vooral bepaald wordt door succes in sociale relaties, onderling geweld en weerstand tegen ziekten.