Algerije poetst sporen aanslagen weg

De Algerijnse regering probeert de sporen van de zelfmoordaanslagen van 11 april in Algiers zo snel mogelijk te wissen. Alles is onder controle, luidt de boodschap aan de bezorgde burgers.

Abu Musab Abdel Wadoud, de leider van Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb, op een vorige week door Al-Jazeera uitgezonden videoboodschap van zijn groep over de aanslagen van 11 april in Algiers. Op de video staan ook beelden van de voorbereidingen voor de zelfmoordaanslagen. (Foto AFP) This handout image provided 10 May 2007 by IntelCenter shows a video frame broadcast by the Arabic news channel Al-Jazeera 08 May 2007 and released by al-Qaeda of the purported chief of the Al-Qaeda branch in North Africa, Abu Mussaab Abdul Wadud, addressing his followers in a vidwo tape on the April 11 attacks in Algiers that killed 30 people and wounded more than 220 others. The video tape also included footage of the preparation of the car bombs purportedly used in the bombings as well as the testimonies from the three suicide bombers. Abu Mussaab urged his followers in the video, whose authenticity could not be verified, to join the "war between infidels and believers". AFP PHOTO/IntelCenter == RESTRICTED TO EDITORIAL USE/MANDATORY CREDIT: INTELCENTER == AFP

Voorlopig blijven in Algiers de straten die naar het regeringspaleis leiden voor alle verkeer gesloten. Voor alle zekerheid. Overal is politie te zien en ook de paramilitaire nationale gendarmerie is in verhoogde staat van paraatheid. Het is bedoeld om de bevolking gerust te stellen na de dubbele zelfmoordaanslag in de Algerijnse hoofdstad waarbij op 11 april 32 doden en 220 gewonden vielen. Maar het politievertoon heeft misschien het omgekeerde effect. Een voorbijganger zucht: „Kijk toch hoe bang ze zijn voor nieuwe aanslagen: die politieversperringen moeten verhinderen dat geparkeerd wordt in het centrum en dat bomauto’s en zelfmoordterroristen de ministeries kunnen bereiken.”

Het doelwit voor de aanslagen was heel bewust gekozen. Een vrachtwagen met explosieven trof het hart van de Algerijnse veiligheidsdiensten, gevestigd in de Qasr al-Hokuma (het regeringspaleis), een groot complex waar zich de kabinetten bevinden van de premier en de minister van Binnenlandse Zaken. Die is verantwoordelijk voor de handhaving van de nationale veiligheid en de strijd tegen het terrorisme. De tweede aanslag – met twee zelfmoordauto’s – was gericht tegen het commissariaat van politie in Bab al-Zouar ten oosten van Algiers, vlakbij de internationale luchthaven.

De aanslagen volgden op een lichte toename van het politiek geweld sinds eind vorig jaar. Sinds 2002 kende Algerije een relatief rustige periode met alleen nog geïsoleerd politiek geweld, nadat de veiligheidsdiensten met harde hand een eind hadden gemaakt aan de moslimextremistische opstand van de jaren negentig. De meeste burgers durfden te hopen dat het bloedvergieten voorbij was en de grote steden en hoofdwegen werden algemeen als behoorlijk veilig bestempeld – zeker de zwaar bewaakte hoofdstad, die bij het begin van de burgeroorlog in 1992 het toneel was van een bloedige terreurcampagne.

Maar iedereen herinnert zich nog goed de bloedige burgeroorlog die meer dan 200.000 levens eiste. De aanslagen van 11 april dreigen nu het moeizaam opgebouwde gevoel van veiligheid opnieuw te ondermijnen. De regering spant zich daarom in zoveel mogelijk de uitwerking van ‘11 april’ te beperken.

Alles is onder controle, luidt het officieel. De regering reageerde bijzonder geïrriteerd toen meteen na de aanslagen op de website van de Amerikaanse ambassade in Algiers voor nog meer aanslagen werd gewaarschuwd. De ambassadeur kreeg te horen dat hij zonder overleg met de Algerijnse autoriteiten had gehandeld.

In dit kader wordt ook de zichtbare schade aan de getroffen gebouwen in ijltempo hersteld. De façade van het regeringsgebouw dat het meest te lijden kreeg is al flink onder handen genomen, maar er zijn nog tal van grote gaten zichtbaar in de muren van het paleis en de omliggende huizen en ook in het bronzen monument op de rotonde voor het paleis. De plaats waar de vrachtwagen vol explosieven tot ontploffing kwam, tien meter naast de hoofdingang, oogt nog als een gigantisch litteken.

„Allemaal cosmetische ingrepen. Er zal altijd naar die plek gewezen worden”, zegt Mohammed, die is komen kijken. „Ook na tien jaar zullen de mensen die hier voorbijkomen naar deze plek wijzen. Kijk! Daar was het dat op 11 april .. .De terreur is voor ons in één klap teruggekeerd. We leven in een nachtmerrie.”

De aanslagen zijn telefonisch opgeëist door Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb, die vorige week ook nog een video via Al-Qaeda-websites publiceerde waarin gedetailleerd de voorbereiding, de daders en de uitvoering van de aanslagen worden getoond.

De regering houdt vol dat het niet om zelfmoordacties gaat, maar met die beelden is alle twijfel over de identiteit van de daders en de gebruikte methodes van tafel geveegd. Een van de daders is te zien terwijl hij bidt en een testament nalaat dat eindigt met de woorden Mawidukum al-Janna (uw afspraak is in het paradijs), de klassieke formulering bij zelfmoordoperaties.

Dit soort gewaagde zelfmoordacties overdag is een nieuw fenomeen in Algerije, en de boodschap – we slaan toe waar en wanneer we maar willen – is de Algerijnen niet ontgaan. Onmiddellijk na de aanslagen leken de inwoners van Algiers hun adem in te houden uit angst voor nog meer bommen, vertelt Said (60), die als chauffeur werkt voor een Belgische zakenman. „De eerste dagen na de bommen was het doodstil in het centrum. En als hier morgen weer een bom afgaat krijg je weer een angstpsychose in de hoofdstad, met die godverlaten straten.”

De GSPC, de Salafistische groep voor Prediking en Strijd, vormde de laatste jaren de belangrijkste groep onder de moslimextremisten. Maar de groep, die vanuit het Berberse Kabylië haar gewelddadige acties vooral op het leger en de politie richtte, raakte hoe langer hoe meer geïsoleerd. De groep sloot zich vorig jaar aan bij Al-Qaeda, nam de nieuwe naam Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb aan en eiste sindsdien ook een reeks aanslagen op in de buurlanden.

Waarnemers in binnen- en buitenland komen met uiteenlopende theorieën over de binding van de GSPC met Al-Qaeda. Mounir Boudjema, hoofdredacteur van de onafhankelijke Franstalige Algerijnse krant Liberté bijvoorbeeld, betwijfelt of er directe banden zijn en dat de GSPC nu bevelen krijgt vanuit Pakistan of Afghanistan. Maar de nieuwe (derde) generatie Algerijnse extremisten – de daders waren tussen 17 en 25 jaar oud en nieuw gerekruteerd, onder meer in het drugsmilieu – is volgens Boudjema zeker door Al-Qaeda geïnspireerd. „Sommigen hebben ervaring opgedaan in Irak. De GSPC rekruteert naar eigen zeggen strijders voor de jihad in Irak, al is het zeer de vraag hoeveel er werkelijk naar Bagdad vertrekken”, aldus Boudjema.

Voor socioloog Zubir Arous van de universiteit van Algiers is het moslimextremisme een sociale protestbeweging die in de jaren negentig ondergronds is gedreven. „Maar de grondoorzaken, de armoede en de corruptie, zijn helemaal niet weggenomen, en we mogen het geweld dus niet uitsluitend zien in termen van buitenlandse invloeden zoals Al-Qaeda”, waarschuwt Arous. Anderen zijn er vast van overtuigd dat Al-Qaeda in Noord-Afrika een nieuw front heeft geopend.

Er zijn inderdaad concrete aanwijzingen voor een groeiende samenwerking. In een afgelegen oase in het zuiden van het land rolde de Algerijnse anti-terreurpolitie een GSPC-cel op die vanuit een internetcafé in het centrum van het stadje El-Oued opereerde. De cel stond onder leiding van een leraar Engels en had volgens politierapporten duidelijk banden met Al-Qaeda, via internet. Er zijn volgens de politie tot nog toe in El-Oued 13 Al-Qaeda-leden aangehouden.