10.000 kilometer non-stop over zee

Rosse grutto’s (Limosa lapponica) en Zuidzeewulpen (Numenius tahitiensis) vliegen non-stop duizenden kilometers over de Stille Oceaan. Dat blijkt uit het eerste rapport van het eind 2006 opgerichte Global Flyway Network (GFN), dat in april verscheen. GFN is een internationale werkmaatschappij van vogelonderzoekers die langdurig onderzoek doen naar de aantallen, demografie en wereldomvattende trekroutes van steltlopers.

GFN-biologen van onder meer het Alaska Science Center in Anchorage voorzagen negen Zuidzeewulpen en vijf rosse grutto’s van een satellietzender. Daarmee vlogen de veertien steltlopers van hun broedgebieden in Alaska naar eilanden in de Stille Oceaan om te overwinteren. De non-stop vliegafstanden varieerden van 6.955 kilometer (in 5,5 dagen) tot 10.800 kilometer (In 9,6 dagen). De vogels breken dus het afstandsrecord non-stop vliegen dat op zo’n zesduizend kilometer werd geschat.

Zowel onderhuids geplaatste zenders van 24 gram als rugzakzenders van 10,5 gram waren zo licht dat de relatief grote steltlopers ze konden meetorsen. De zenders vormden hooguit zes, zeven procent van het lichaamsgewicht. Door onderweg locaties te laten doorseinen, kregen de onderzoekers een beeld van de vliegroute en -snelheid. Uit 430 betrouwbare gegevens bleek dat de vogels zo snel vliegen dat er geen tijd is voor rust-, eet- of drinkpauzes.

Waarnemingen langs de trekroutes zijn zeldzaam. Aan de kusten van de Stille Oceaan worden deze vogels in de trektijd nooit gezien. Op eilanden midden in de oceaan zijn van rosse grutto’s vierduizend waarnemingen bekend sinds 1920. Dat is niks vergeleken met de 150 duizend grutto’s die jaarlijks over de oceaan vliegen.

Uit metingen aan vogels voor en na de reis blijkt dat hun lichaamsgewicht precies zoveel is gedaald als voor de non-stopvlucht aan energie nodig is.

Uit de door Zuidzeewulpen gevlogen route blijkt bovendien dat de vogels creatief zijn in het opzoeken van rugwinden. De wulpen trekken in augustus en vliegen eerst tweeduizend kilometer naar het zuidoosten, om vervolgens af te slaan naar het zuidwesten. Daar waait dan doorgaans een stevige noordooster die hen de resterende achtduizend kilometer een ruggesteuntje geeft. Hoe de vogels weten welke wind er op tweeduizend kilometer afstand waait, is nog een raadsel.