Wonen in een galerie

Indonesië is een arm land, althans gemiddeld. Maar er is ook een kleine, rijke bovenlaag die de kostbare inrichting van zijn huizen laat zien: Schöner Wohnen in Jakarta, achtste aflevering.

Deddy Kusuma met zijn vrouw Jane tussen enkele van hun kunstvoorwerpen. Linksboven het buitenaanzicht van hun huis. Foto’s Ahmad deNy Salman INDONESIA, JAKARTA - SUNDAY 05 FEBRUARY 2007 The residence of Mr. Deddy Kussuma and his spouse Mrs. Jane at Bukuit Golf Utama PA-23 in Pondok Indah area, South Jakarta. Photo by deNy/JiwaFoto Salman, Ahmad "deNy"

Dit huis is al bij voorbaat uniek, want torenhoge muren eromheen ontbreken. Je kijkt achter zomaar op het wat lager gelegen parkachtige landschap van de beroemde Bukit golfbaan. Deddy Kusuma: „Ik wilde de uitstraling van een resort.” En dus staan er ook enkele ligstoelen met parasol aan het zwembad en wisselen zwart marmer en donker hout elkaar af.

Zijn huis is al meer dan vijfentwintig jaar oud, groot, beetje non-descript, behalve dan de grote ramen en die tuin. Deddy (61) is een van de groten van het land op het terrein van onroerend goed, project-ontwikkelaar, mede-eigenaar van prestigieuze shopping malls en van huis uit architect. Met zijn vrouw woont hij middenin zijn beroemdste project Pondok Indah.

Hij is dit keer gekleed in elegant zwart, soms verschijnen hij en zijn vrouw ook wel te midden van de beau monde geheel in het wit, hij met hoed.

Zijn huis en tuin zijn in feite een galerie en dat klopt ook, want Deddy verzamelt moderne kunst. Zijn vrouw Jane en twee – volwassen – kinderen boeien het, maar ook niet meer dan dat. Deddy vertoont trekjes van bezetenheid. Zwervend door de vertrekken van zijn huis meldt hij telkens terloops: „Dit kocht ik op Hawaï, dit in San Francisco, dit is van een New Yorkse veiling” enz. enz. Nee, geld, is nooit de remmende factor.

Uit het Westen heeft hij onder meer Rodin, Botero, „iets kleins” van Henry Moore. Uit China Yue Minjun en vele, vele anderen. Hij koopt sculpturen en schilderijen. Zijn tuin is een beeldenpark, het grote plein aan de voorkant ook.

Onder een vijver waardoorheen het licht gefilterd naar binnen schijnt, heeft hij een expositieruimte. Daarachter een groot aquarium met daarachter weer een zwembad: zo lijkt het van binnenuit alsof zijn dochter tussen de vissen zwemt.

Deddy is geen blinde opkoper van grote namen. In de zitkamer staat het nu vol met wonderlijk houtsnijwerk. „Dit maakt een simpel mannetje in de desa ergens op Bali, Imade Same. Hij begint nu wat bekender te worden, maar zoiets (en hij aait er eens over) heb je nog voor zo’n 10.000 dollar.”

Deddy was erdoor gegrepen, hij heeft er nu zeventien van.

Hoe moet dit nu met die uitpuilende kunstvoorraad?

Zijn dochter studeerde grafisch ontwerp (in New York) maar heeft er toch niet zoveel mee, zijn zoon zit bij hem in de firma maar die mist ook het heilig vuur. Deddy wil een museum en hij zit te denken aan een gebouw van drie verdiepingen hoog, daar waar nu de oprit is voor zijn auto’s. Het gesprek komt op de tragiek van de verzamelaar – in het graf is geen plaats – en of Jakarta niet zoiets zou kunnen gebruiken: een museum voor eigentijdse kunst? Want zoiets is er niet. Laten we zeggen: Het Gusuma-museum?

„Nee, dat kan eigenlijk niet, dat is niet veilig.”

Inderdaad, ook moderne Aziatische kunst is niet van bloot ontbloot en zoiets ligt in een land met publiek tentoongestelde islamitische zedelijkheid te gevoelig. Jakarta hoeft zo’n museum dus niet, Deddy wél – waarschijnlijk op zijn oprit, en toch ook voor publiek toegankelijk.