Onbetaalbare ervaringen

Onlangs was het zover. Men was erin geslaagd – eindelijk! – om uit te rekenen wat het landschap ons oplevert als het mooi is. Jarenlang heb ik me slap gelachen bij die gedachte, honend de waarde van een goed huwelijk berekend, giechelend de opbrengst van de aanblik van lammetjes in de wei geschat op vijf euro, maar nu hoeft daar niet meer om gelachen te worden. Het stond laatst gewoon in deze krant: adviesbureau Witteveen en Bos heeft uitgerekend dat het verfraaien van het Nederlandse landschap „een positief kosten-batensaldo van 17,9 miljard euro” oplevert.

Dat is geen klein bier. Door de aanleg van nieuwe akkerranden, de onvermijdelijke ‘drassige gebieden’, fiets- en wandelpaden, bomenrijen en door het restaureren van oude huizen en boerderijen wordt de omgeving zo veel aangenamer dat de grondprijzen stijgen, de huizenprijzen stijgen, de recreanten meer uitgeven, er meer hoogopgeleide types willen wonen die supernuttig zijn voor onze kenniseconomie en zo krijgen we de investeringen gewoon terug in keiharde eurootjes. Ja zelfs, dit is het heerlijkste onderdeel, verdienen we meer naarmate het landschap lelijker was. Dus hier en daar een tikje Verelendung kan geen kwaad, daarna worden we dés te rijker.

De minister van Landbouw, Gerda Verburg, was er wat blij mee. Ze laat het Centraal Planbureau (CPB) nog eens controleren „of investeren in het landschap werkelijk zo lonend is als uit dit onderzoek naar voren komt”.

Hoewel het streven naar een verbetering van het landschappelijk schoon enorm toe te juichen valt, zo enorm dat kritiek erop geen pas geeft, laat staan rare lachjes en meesmuilende praatjes, hou je toch je hart even vast.

Wat maakt een landschap mooi? Wordt élk landschap beter van bomenrijen? Er zijn landschappen die nu eenmaal groot en wijd en leeg horen, hier en daar bomen langs een weg, zeker, maar beslist niet overal bosjes en struweel. Niet elk landschap moet romantisch zijn om mooi te zijn. Sommige gebieden zijn op een heel rare manier mooi, of aantrekkelijk. „Ik houd het meest van de halfland’lijkheid” dichtte S. Vestdijk ooit, „Van vage weidewinden die met lijnen/ Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen/ Waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt”.

De schoonheid van een landschap of van een plek komt vaak tot haar recht in de tegenstelling, de tegenstelling tussen cultuurlandschap en natuur, het beeklandschap tussen de weiden bijvoorbeeld, het bos achter de akkers of in de afwisseling: heel lang hetzelfde landschap wordt gauw saai. Wat dat betreft boffen we natuurlijk geweldig in Nederland, met al die verschillende landschappen en streken. En die willen we liever niet tot één soort landschap teruggevormd zien. Of tot één soort natuur, het nu al jaren hevig populaire half open landschap, met grote grazers erop om het half open te houden, en veel bruingele sprieten van de wilde planten die er groeien.

Het verfraaide landschap moet bovendien, wil het inderdaad dat fantastische rendement leveren, ook flink bewoond worden, door welgestelden, en recreatief ontsloten worden met paden en uitspanningen en grappige pensions en recreatiewoningen – anders verdienen we er nog niks aan. Zag laatst in Drenthe ergens nieuw aangelegde wandelpaden door drassig gebied. Enorme wittige vlonders lagen er ineens, met borden erbij die de wandelaar vertelden dat hij daarover kon lopen en dat het ook zo geweldig was als hij dat deed. Recreatie en schoonheid gaan niet altijd samen.

In kasteel Groeneveld, het mooie buiten in Baarn dat in het bezit is van het ministerie van LNV, is op dit ogenblik de kleine tentoonstelling Landschap leeft te zien. Je ziet daar verschillende soorten landschappen, van het zeer rationele economische landschap met wegen, bedrijventerreinen, vaarroutes etc. tot arcadische idylles die tegenwoordig afkeurend ‘nostalgisch’ worden genoemd.

Bij de opening sprak hoogleraar natuur- en landschapsbescherming Matthijs Schouten over zijn ervaringen met studenten in Ierland, waar hij aan de universiteiten van Cork en Galway verbonden is. Het ging meer in het bijzonder over één studente, een zekere Shioban, afkomstig uit een niet bepaald heel hoog sociaal milieu, die ongeveer alles wat hij vertelde maar niets vond. Liet hij een heel bijzonder soort gesteente zien dat vrijwel doorzichtig was, dan bromde ze „It’s like plastic man”, dolf hij een bijzondere waterplantje op dan was dat „just mud”, was hij lyrisch over oude muurtjes dan mopperde ze: „just stones”. Geen van nature erg geïnteresseerd type kortom en ze maakte dan ook niet meteen een erg enthousiaste indruk toen hij zijn studenten meenam naar een onder het veen vandaan gekomen gefossiliseerd neolithisch landschap, met muurtjes van 5.000 jaar geleden.

Maar geleidelijk aan werd ze stiller die middag. En de volgende morgen toen Schouten en zij elkaar toevallig troffen bij de ochtendsigaret, had ze ineens gezegd dat het ‘cool’ was geweest gisteren. En dat ze er ’s nachts nog veel aan had gedacht, dat ooit, vijfduizend jaar geleden, iemand net zoals zijzelf op datzelfde muurtje had gezeten waar zij nu zat, en ook over dat landschap had uitgekeken en over het leven had gedacht.

Het was een heel goed verhaal van Schouten, omdat het liet zien dat landschap veel meer is dan iets wat toevallig ‘mooi’ is. Dat het ons kan verbinden met vroeger. En dat dat een overweldigende ervaring kan zijn.

Wat levert zo’n ervaring op? Het is een beetje armoedig om dat in geld te willen uitdrukken. Misschien is dat wat dat hele juichend begroete onderzoek een tikje mal maakt, en zelfs ongemakkelijk, die overtuiging dat het pas echt de moeite waard wordt om in landschap te investeren, en dus in welbehagen, in geschiedenis, in schoonheid, in het gevoel van ergens te horen, als dat geld oplevert. Alsof die dingen er niet om zichzelfs wille toe doen. Alsof het nooit een argument kan zijn dat mensen behoefte hebben aan schoonheid, rust, verbondenheid met de omgeving. Alsof het enige waar de mensen oren naar hebben euro’s zijn.