Kom kom, Ayaan, die revolutie valt wel mee

Hirsi Ali spoort Turkse secularisten aan om in actie te komen tegen de politieke islam (nrc.next, 11 mei).

Maar islam en democratie sluiten elkaar niet uit.

Volgens Ayaan Hirsi Ali hebben de Turkse secularisten zitten slapen, terwijl de regering van AKP, die sinds vijf jaar aan de macht is, haar machtspositie misbruikt om het land sluipend om te bouwen tot een islamitische staat. Haar oplossing is om, wanneer ‘islamisten’ in democratische verkiezingen een meerderheid krijgen, te vertrouwen op de legerleiding als hoeder van democratie en secularisme.

Maar het was juist de Turkse legerleiding die, na de staatsgreep van 1980, het Turkse nationalisme een nieuwe religieuze kleur gaf in de hoop een staatsgecontroleerde islam in te zetten als tegengif tegen socialisme en fundamentalisme. De middenklasse werd al begin jaren negentig ongerust over de manier waarop de staat zelf de deur openzette voor een grotere rol van religieuze bewegingen.

Toen in 1995 de islamistische Welvaartspartij met 21 procent de grootste partij van Turkije werd en haar leider Necmettin Erbakan premier, trokken de burgerlijke secularisten ten strijde tegen de nieuwe regering. Het leger, dat inmiddels ook spijt had van de manier waarop het na 1980 de islam had gestimuleerd, maakte zichzelf tot speerpunt van de secularistische beweging. In de zomer van 1997 werd premier Erbakan ten val gebracht. De secularisten in Turkije hebben dus allerminst zitten slapen: ze zijn al ruim een decennium in het offensief.

Ook Hirsi Ali’s analyse van de AKP is misleidend. Zonder enige onderbouwing schuift zij de partij in de schoenen dat zij uit is op een islamitische revolutie. De realiteit is anders. Nadat hun partij in 1997 uit de macht was verdreven en kort daarna was verboden, openden jongere volgelingen van Erbakan zoals Tayyip Erdogan en Abdullah Gül een debat over de koers van hun beweging. Terwijl de oude garde rond Erbakan wilde vasthouden aan een strikt islamitische lijn, wilden Erdogan en Gül als conservatieve volkspartij het centrum opzoeken. Erbakans islamistische hardliners werden in de verkiezingen van 2002 gemarginaliseerd, terwijl de nieuw opgerichte AKP een overweldigende overwinning boekte.

De AKP van Erdogan en Gül is een partij die economisch liberalisme combineert met conservatieve waarden, maar het zijn geen fundamentalisten. Het Turkse burgerlijk wetboek behoort tot de vooruitstrevendste in de wereld. Er is geen enkele aanwijzing dat de AKP de shari’a wil invoeren, de rente wil afschaffen of gemengd zwemmen wil verbieden.

Enquêtes tonen aan dat de AKP-aanhang, samen met de Koerdische partij, het meest enthousiast is voor EU-lidmaatschap. De conservatieve waarden waar de AKP voor staat, reflecteren getrouw het wereldbeeld van de kleinere ondernemers en immigranten van het platteland waar de partij vooral op steunt. Zij willen geen sluiers voor hun vrouwen, maar wel dat hun dochters ‘fatsoenlijk’ met een hoofddoekje naar school kunnen, wat nu verboden is. De AKP is ook de stem van de periferie, die door de seculiere elite de toegang tot het centrum van de macht altijd is ontzegd.

Desondanks vertrouwen veel Turkse secularisten de AKP niet. Ze delen het zwart-witte wereldbeeld van Hirsi Ali, waarin islam en democratie elkaar uitsluiten. Ze hebben ongelijk, maar omdat er zo veel op het spel staat, is hun angst begrijpelijk. Als het onverhoopt wel zo mocht zijn dat Erdogan en de zijnen in het geheim dromen van een islamitische staat, zou dat een directe bedreiging vormen voor de westerse manier van leven van de midden- en bovenklasse. We moeten die angst dus serieus nemen, maar de oplossing kan niet zijn dan maar een uitzonderingspositie voor Turkije te claimen, zoals Hirsi Ali doet, en te bepleiten dat het Turkse leger niet onder controle van de regering moet worden gebracht.

Voor Europa is een lidstaat met een leger dat naar eigen goeddunken ingrijpt in politiek en bestuur, zoals nu in Turkije het geval is, niet te slikken. Nee, het EU-lidmaatschap zelf zal op den duur de Turkse secularisten de zekerheid moeten bieden dat zij in een westers land leven, waar democratie en mensenrechten gewoon zijn. Voorlopig is de speciale rol van het leger als steunpilaar van de seculiere orde nog nodig om de middenklasse een gevoel van veiligheid te geven. Maar het leger zal zijn politieke rol geleidelijk moeten opgeven, naarmate de Europese integratie vordert.

Erik-Jan Zürcher is hoogleraar Turkse talen en culturen aan de Universiteit Leiden.

Meer over de politieke crisis in Turkije op eurasianet.org