Jean-Guihen Queyras geeft les zoals hij ook zelf cello speelt

Een Weekend met cellist Jean-Guihen Queyras. Gehoord: 11/5, 12/5 Concertgebouw Amsterdam. Volgende concert: 14/5 (met Alexander Melnikov, piano; Isabelle Faust, viool).

Wat maakt Jean-Guihen Queyras (1967) tot het zondagskind onder de cellisten? Niet zijn veelzijdigheid, in hedendaagse muziek, de barokmuziek en het romantische repertoire. Ook niet zijn technische flexibiliteit.

De magie zit hem in het esprit waarmee Queyras zich blijmoedig op de noten stort. Hij houdt onvoorwaardelijk van de muziek èn van zijn instrument, een Gioffredo Cappa (‘een vriend die je omhelst en dicht tegen je hart houdt’). Dat maakt zijn spel zo verrukkelijk.

Op de Masterclass tijdens ‘Een weekend met Jean-Guihen Queyras’, dat pas woensdag eindigt, werd een beetje duidelijk hoe de Franse cellist die gelukkige balans tussen weten en kunnen, tussen dromen en durven, tussen fantaseren en doen voor zichzelf bereikt.

De intelligente Queyras heeft alle aspecten van het musiceren goed overdacht, zodat beruchte valkuilen als opspelende zenuwen, emotionele blokkades of een louter technische benadering hem niet ineens kunnen opbreken. Voor elke potentiële moeilijkheid heeft hij een praktische oplossing, en juist daardoor is zijn cellospel muzikaal zo vrij.

Tegen de talentvolle Lidy Blijdorp, die zich dapper maar bloednerveus door een celloconcert van Haydn heen worstelde, zei Queyras: „Iedere musicus is bang op het podium. Maar als jij jezelf niet vertrouwt, hoe kan het publiek dan genieten? Alleen als jij je goed voelt, voelen zij zich goed.” Waarna hij haar simpel recepten gaf tegen bibberstokken (‘maak contact met de snaar alsof je ontspannen op de sofa ploft’), tegen verkrampte positiewisselingen (‘doe alsof je van de glijbaan roetsjt’) en tegen defensief musiceren ( ‘zucht alle spanning weg voordat je inzet’), ‘let it flow’- principes waardoor Blijdorps angstige Haydn ineens begon te zingen.

Tijdens zijn trioconcert met violiste Antje Weithaas en altvioliste Tabea Zimmermann, bracht Queyras zijn adviezen overtuigend in de praktijk. Terwijl Weithaas soms neigde naar het etude-matige en Zimmermann naar het maniëristische, speelde Queyras in strijktrio’s van Schubert en Mozart, en duo’s van Pintscher en Kodaly speels, charmant en ruimhartig.