Gorillamaskersen blauwe speldenkussens

Hoewel vrouwen op kunstacademies in de meerderheid zijn, is hun aandeel op exposities klein.

Dat leidt tot feministische reacties als de Guerilla Girls.

Opeens waren ze er weer, de vrouwen met de apenmaskers. Hooggehakt, geheel in het zwart, en voorzien van een angstaanjagende apengrimas, joegen ze twee jaar geleden het publiek op de Biënnale van Venetië de stuipen op het lijf. ‘Welkom op de feministische biënnale’, stond in kleurrijke koeienletters geschreven op de billboards bij de ingang. En, verwijzend naar de twee vrouwelijke samenstellers van deze 51ste Biënnale: ‘Women directors at last’. In de kleine lettertjes onder aan de posters werden fijntjes enkele schokkende cijfers opgelepeld. Bijvoorbeeld dat Frankrijk zich voor het eerst in honderd jaar liet vertegenwoordigen door een vrouw, en dat het aandeel van vrouwelijke kunstenaars op de Biënnale van 1995 slechts negen procent had bedragen.

Was getekend: Guerrilla Girls, het geweten van de kunstwereld.

Lang was het stil geweest rond de New Yorkse actiegroep, die vooral in de late jaren tachtig van zich had laten horen. Aanleiding was destijds de tentoonstelling International Survey of Painting and Sculpture (1984) in het Museum of Modern Art, een groots overzicht van internationale kunst waaraan minder dan tien procent vrouwen deelnamen. Demonstraties bij de ingang van het museum hadden niets uitgehaald, en dus kozen de Guerrilla Girls sindsdien voor ludiekere acties. Ze plakten de straten van de New Yorkse kunstwijk SoHo vol met posters met de namen van ‘vrouwonvriendelijke’ galeries en kochten advertentieruimte op de stadsbussen van Manhattan. Hun bekendste affiche, uit 1989, toonde de beroemde baadster van Ingres’ schilderij Grand Odalisque, maar dan getooid met een gorillakop. Ernaast, in vette zwarte letters tegen een gele achtergrond, de tekst: ‘Do women have to be naked to get into the Metropolitan Museum? Less than 5% of the artists in the Modern Art sections are women, but 85% of the nudes are female.’

‘Quota Queens’, zo werden de Guerrilla Girls door cynische critici wel betiteld. Steeds opnieuw bestookten ze musea met harde feiten, vermomd in een humoristisch apenpak. Maar in Venetië bleek twee jaar geleden dat hun acties nauwelijks iets hadden uitgehaald. Opnieuw toonden de Guerrilla Girls daar hun Metropolitan-poster, maar dan in een geactualiseerde variant. De nieuwe cijfers bleken ontluisterend. In zestien jaar tijd was het aandeel van vrouwelijke kunstenaars in het New Yorkse museum alleen maar afgenomen, tot drie procent.

„We hoopten dat er in de tussentijd vooruitgang zou zijn geboekt”, schrijven de Guerrilla Girls op hun website. „Maar de nieuwe statistieken zijn shocking. We ontdekten ook dat er in Amerikaanse musea vaak grote verschillen zijn tussen het aantal werken van vrouwen in de collectie en het aantal dat daadwerkelijk wordt getoond. Zo bestaat de collectie van het Hirschhorn Museum in Washington voor vijftien procent uit werk van vrouwen. Maar als je kijkt naar de werken die geëxposeerd worden, dan blijkt maar vijf procent door vrouwen gemaakt. Hun kunst blijft dus ongezien in de kelder liggen. En voor zwarte kunstenaars is het zelfs nog erger.”

Vandaar dat de Guerrilla Girls vorige maand een schreeuwerige advertentie maakten die op 22 april paginagroot in de Washington Post verscheen. ‘Horror on the National Mall’, kopte de krant, die voor de gelegenheid was opgemaakt als ‘scandal rag’. En: ‘Thousands of women locked in basements of D.C. museums! Why does macho art world keep female artists out of sight?’

De hernieuwde acties van de Guerrilla Girls staan niet op zichzelf. Wereldwijd lijkt feministische kunst dit jaar opeens weer in de belangstelling te staan. De Washington Post wijdde op 22 april een hele bijlage aan Feminism & Art. En ook het Amerikaanse tijdschrift ARTnews maakte een themanummer over ‘Feminist Art: The Next Wave’. In het Museum of Contemporary Art in Los Angeles is op dit moment de tentoonstelling WACK! Art and the Feminist Revolution te zien, met 430 werken van 119 vrouwelijke kunstenaars. En op 23 maart opende het Brooklyn Museum in New York een speciale afdeling voor feministische kunst: het Elizabeth A. Sackler Center for Feministist Art. Hoogtepunt van de collectie daar is The Dinner Party (1974-1979) van Judy Chicago, een reusachtige driehoekige tafel die plaats biedt aan 39 historische vrouwen. Het kunstwerk geldt al decennialang als hét icoon van feministische kunst, maar tot nu toe wilde geen museum het hebben.

We kunnen gerust stellen dat er een nieuwe feministische lente aan de gang is. Een opmerkelijke ontwikkeling, omdat veel jonge vrouwelijke kunstenaars zich de afgelopen jaren juist leken af te zetten tegen de feministische ideologieën van hun voorgangers. Het F-woord, zoals de Guerrilla Girls het steevast noemen, was een beladen term die vermeden diende te worden. Jonge vrouwen als Tracey Emin, Rachel Whiteread, Sarah Lucas en Pipilotti Rist toonden in de jaren negentig aan dat zij heel goed in staat waren zelf een internationale carrière als kunstenaar op te bouwen. Hun kunst was brutaal, stoer, persoonlijk, soms bijzonder verleidelijk, en miste de belerende toon die veel feministische kunst uit de jaren zeventig en tachtig kenmerkte.

Nu, dertig jaar na de baanbrekende tentoonstelling Women Artists: 1550-1950 in het Brooklyn Museum in New York, blikken veel feministische voorvechtsters van het eerste uur terug op hun verworvenheden. En ontdekken dat er nog steeds sprake is van grote ongelijkheid in de kunstwereld. Natuurlijk, er is veel ten goede veranderd. In de jaren zeventig durfde Leo Castelli, een bekende New Yorkse galeriehouder, nog te beweren dat hij „absoluut geen vrouwen discrimineerde, maar dat er nu eenmaal minder goede vrouwelijke kunstenaars zijn”. Zo’n uitspraak is nu ondenkbaar. Tegelijkertijd blijkt uit de recentste statistieken dat het aandeel van vrouwen in de kunstwereld sinds het nieuwe millennium weer aan het teruglopen is.

Hoe kan het toch dat vrouwen op kunstacademies al decennia in de meerderheid zijn, maar op grote internationale tentoonstellingen altijd het onderspit delven? Waarom verdienen vrouwelijke kunstenaars nog steeds maar een fractie van het salaris van hun mannelijke collega’s? En waarom liggen de prijzen van kunst die door vrouwen gemaakt is gemiddeld nog altijd beduidend lager dan de prijs van de kunst die mannen hebben gemaakt?

Het online-magazine Artnet.com, dat wereldwijd in de gaten houdt hoe de marktwaarde van individuele kunstenaars zich ontwikkelt, probeerde in het maartnummer een verklaring te vinden. „De kunstwereld wordt op dit moment overspoeld door krankzinnige hoeveelheden geld”, schrijft Artnet-hoofdredacteur Ben Davis in zijn artikel ‘White walls, glass ceilings’. „Maar wat als ‘hippe’ nieuwe kunst bestempeld wordt, moet voldoen aan de interesse van Europese playboys, Japanse kapitalisten, Russische maffia of Amerikaanse internetbankiers. De meesten van hen zijn van het mannelijke geslacht, en aantoonbaar minder geneigd om uitgesproken vrouwelijke, laat staan feministische kunst te kopen.”

Zolang de belangrijkste kunstkopers deel uitmaken van het old boys network, trekken de vrouwelijke kunstenaars dus aan het kortste eind. Want, zo geven verschillende galeriehouders direct toe in het februarinummer van ARTnews, vrouwelijkheid is nu eenmaal niet bepaald een selling point.

Als voorbeeld noemt Ben Davis de tentoonstelling Greater New York, die in 2005 plaatsvond in het New Yorkse museum P.S.1. Hoewel drie van de vier samenstellers van deze expositie vol aanstormende talenten vrouw waren, was het aandeel van kunst van vrouwen slechts eenderde. Dit kwam, zo schrijft Davis, doordat de selectie gebaseerd was op werk dat al eens getoond was in New Yorkse galeries. En galeries laten zich leiden door de markt. Davis: „Het voornaamste oogmerk van de kunstwereld is niet engagement, theorie of zelfs schoonheid, maar commercie. De kunstwereld is geen ivoren toren, maar een gouden piramide. En zijn brede, onverwoestbare basis is gebouwd door kunsthandelaren, die in de eerste plaats zakenmensen zijn.” Dat 42 procent van de New Yorkse galeries gerund wordt door vrouwen, maakt blijkbaar niet veel verschil.

Intussen lijkt het erop dat de jongste generatie kunstenaars zich langzaamaan weer begint te interesseren voor de feministische zaak. In New York bijvoorbeeld, heeft het kunstenaarscollectief Brainstormers de fakkel van de Guerrilla Girls overgenomen. Deze groep bestaat uit vier jonge vrouwen – Maria Dumlao, Elaine Kaufmann, Danielle Mysliwiec en Anne Polashenski – die allemaal in 2004 zijn afgestudeerd aan het Hunter College in New York. Net als de Guerrilla Girls demonstreren de vier vrouwen voor de poorten van vrouwonvriendelijke tentoonstellingen. Alleen zijn het bij hen geen apenkoppen maar roze pruiken die de aandacht trekken.

Geheel in de geest van de Guerrilla Girls is ook voor de Brainstormers turven het belangrijkste wapen. Volgende week komt deel 2 van hun jaarlijkse Gallery Guide uit, waarin het viertal de tweehonderd galeries uit de New Yorkse wijk Chelsea langs de feministische meetlat legt. De resultaten worden gepresenteerd in overzichtelijke grafieken, vol felle kleuren die de grootste boosdoeners markeren. ‘Shocking Never Before Seen Charts! The True Colors of Chelsea Revealed!’ stond er bij de eerste editie op de kaft. Vooral de galeries Marlborough, Anton Kern, Mary Boone, Gagosian en Matthew Marks mochten zich met hun schamele 0 tot 20 procent vrouwelijke kunstenaars diep schamen.

De jonge Amerikaanse kunstenaar Jennifer Dalton moet in 2006 ongetwijfeld zo’n boekje van de Brainstormers in handen hebben gekregen. Zij gebruikte de Chelsea-statistieken voor haar Art Guide-serie uit datzelfde jaar. Met behulp van spelden markeerde ze op de plattegrond van Chelsea de geaardheid van de exposities – blauw voor een solotentoonstelling van een man, roze voor die van een vrouw en wit voor gemengde groepsexposities. Het zal niet verbazen dat alle kaarten eruit zagen als hemelblauwe speldenkussens.