Feyenoord (slot)

Vlak voor een reclameblok werd ik lekker gemaakt voor de samenvatting van de play-off tussen Feyenoord en Heerenveen. Ik zag in een kort voorstukje verdediger Pieter Collen namens de Rotterdamse club een voorzet geven. Dat was het. Geen idee of de bal in de buurt van het doel is gekomen.

Arme Pieter Collen, symptoom van ziek Feyenoord.

Vorig jaar speelde de beroemde Amerikaanse jazzsaxofonist Branford Marsalis in theater Lantaren/Venster in Rotterdam. Na afloop van het concert liep hij door de Gouvernestraat naar zijn hotel met een paar Nederlandse kennissen. Marsalis is een enorme liefhebber van voetbal. Hij weet veel van Europese clubs en spelers.

Marsalis verzamelt shirts van grote voetballers. Hij vroeg of er nog iets te halen viel bij Feyenoord. De Nederlandse jongens kwamen veel in de Kuip. Een van hen bedacht dat hij een gesigneerd shirt in de kofferbak van zijn auto had liggen: een Feyenoordshirt met een handtekening van Pieter Collen erop. Collen, alleen bekend van de reservebank.

Marsalis was dolblij met het shirt en nam het mee terug naar New Orleans. Daar ligt het tricot van Collen in de kast, ergens tussen gesigneerde shirts van beroemde voetballers. En Marsalis maar denken dat Collen een wereldster is. Sneu.

Een kwartier eerder had ik in het programma De Wedstrijden zitten kijken naar de verrichtingen van Paul Bosvelt. Hij speelde met Heerenveen tegen Ajax en werd noodgedwongen gewisseld. Het voormalige Feyenoord-icoon keek in zijn laatste wedstrijd als voetbalprof vanaf de reservebank in de Amsterdamse Arena toe hoe Ajax heerste. Een roemloos einde voor een voetballer met een rood-wit hart.

In de Kuip stond nog zo’n icoon van de club, Pierre van Hooijdonk. Hij scoorde na acht minuten uit een vrije trap en leek weer een held te worden aan het einde van het seizoen. Maar nee, aan het einde verdwenen zijn handen in zijn krullen. Net als Bosvelt sloot hij zijn carrière in mineur af, met een ereronde in een halfleeg stadion.

Voor de microfoon was Van Hooijdonk alweer in staat een beetje te glimlachen. Ze zouden hem misschien ooit nog wel op een voetbalveld zien staan, maar dan op zo’n laag niveau, dat daar geen cameraploeg voor wilde uitrukken. En wat er bij Feyenoord nodig was? „Een hele strenge leraar.” Co dus. Achternaam overbodig. Co moest naar de Kuip.

In de Kuip mopperde Leo Beenhakker over het geringe aantal toeschouwers. Hij moest eens weten hoe vaak Feyenoordsupporters het afgelopen seizoen de smaak van hun eigen maagzuur in de mond proefden. Vandaag, met Moederdag, bleven ze eens lekker weg. Dan maar een keer thuis, met een rol kaakjes en lauwe thee bij de radio.

Leo Beenhakker zei, na een weekje snuffelen op zijn oude nest, best te willen rapporteren aan de clubleiding. De verslaggever vroeg om een tipje van de sluier van zijn kritiek. Beenhakker keek als een ekster in de camera: ‘Ik weet niet waar ik moet beginnen…’

Intussen sloten de supporters met hun auto’s aan in de file op de Erasmusbrug. Ze hadden vanachter het stuur minutenlang de tijd om te staren naar de skyline van hun grote stad. Tenminste nog iets om trots op te zijn. Maar één blik in de achteruitkijkspiegel, de lichtmasten van de Kuip nog net zichtbaar, en de maag draaide weer om van onmacht en woede.