De Heinkels vlogen laag en langzaam

Rotterdam herdenkt vandaag het Duitse bombardement van 14 mei 1940. Ooggetuigeverslag van het einde van een ‘ongeschonden’ stad.

Het ongeschonden Rotterdam is de wereld van mijn vroege jeugd. Ik was trots op mijn stad zoals alleen een kind trots kan zijn. Wij hadden de grootste gegraven haven ter wereld, de Waalhaven. De Holland-Amerika Lijn met de hypermoderne Nieuw Amsterdam. De Bijenkorf van Dudok. We hadden de Passage met een speelgoedwinkel, Sinderam, waarin de meest begerenswaardige schatten te koop waren. Het vliegveld Waalhaven met de Koolhoven-fabrieken waar de beste gevechtsvliegtuigen werden gemaakt, de FK-52, beter dan de D-21 van Fokker in Amsterdam. De mooiste, snelste trams van Nederland. En we hadden Bep van Klaveren, olympisch kampioen boksen vedergewicht.

Ik woonde dichtbij de ’s Gravenweg, die zich verlengt in de Oudedijk, toen een van de toegangswegen tot het centrum. In de jaren dertig reden daar nog sleperswagens, getrokken door een of twee paarden. Mijn vriendjes en ik renden achter zo’n wagen aan, we wipten op de platte laadruimte en lieten ons vervoeren. Naar de Vlietlaan, Goudserijweg, Veemarkt, Lange Warande, Goudse-singel, Pompenburgsingel, de Meent. Waar zo’n kar heen ging.

Dat was mijn wereld, tot 10 mei 1940. Die dag stond ik ’s ochtends om een uur of zes in mijn pyjama op straat naar de vliegtuigen te kijken. Oorlog. We luisterden naar de radio. Op het vliegveld Waalhaven waren parachutisten geland, watervliegtuigen op de Maas. Laat in de middag van de derde dag verscheen in mijn buurt een peloton mariniers. Eén marinier vatte post in onze portiek. Met zijn geweer schoot hij op Duitse vliegtuigen. Mijn moeder bracht hem een bord warm eten.

De radio bracht de berichten van de Luchtwachtdienst. Op 14 mei werd gemeld dat eskaders bommenwerpers in de richting van Rotterdam vlogen. „We gaan in de kelder zitten”, zei mijn vader. Daar hoorden we het zware geronk naderen, toen een gefluit en het volgende ogenblik zag ik de vloer van de kelder golven. „Eruit”, riep mijn vader. Over het tuinpad renden we door een stofwolk naar het onbebouwde stuk land waaraan de tuin grensde. Daar zag ik de Heinkels 111. Ze vlogen laag en langzaam. Op hun dooie gemak, heb ik later gedacht. Ze hadden niets te vrezen. Afweergeschut was er niet meer, de Koninklijke Luchtmacht was in zijn geheel neergeschoten of op de grond vernietigd. De bemanning van deze 95 bommenwerpers heeft ongestoord, in koelen bloede mijn stad vernietigd.

Niet lang nadat het bombardement voorbij was, werd duidelijk dat er een ramp was aangericht. De hemel in het westen verduisterde. Over de ’s Gravenweg trok een eindeloze rij vluchtelingen de polder in. De buren vertrokken ook, in de auto. Mijn vader en moeder en ik mochten mee. Bij een tuinder vonden we onderdak. Het was een grote tuinderij met een lorrie die op rails reed. Daar hebben we leuk gespeeld, tot we binnen werden geroepen. De radio stond aan. Nederland, zei de omroeper, heeft gecapituleerd. Op dat ogenblik heb ik mijn vader voor het eerst en het laatst zien huilen.

Vervolg BOMBARDEMEN: pagina 3]

Ik fietste door de geuren van een verwoeste stad

Het werd donker. De hemel in het westen werd nu flakkerend rossig verlicht door de brand. We gaan terug, zei mijn vader. Want straks komen de plunderaars. Die avond, tegen een uur of elf, waren we weer thuis. Niet lang daarna, misschien een paar weken na het bombardement begon de school weer. De ruïnes smeulden nog, trams reden niet meer, er werd al puin geruimd. Ik ging op de fiets, over de Oostzeedijk langs het verwoeste deel van Kralingen waar alleen de muren nog overeind stonden. Langs de Oosterkade, en dan kwam ik aan de Boompjes. Ik fietste door de geuren van de verwoeste stad. Oververhit steen heeft een eigen aroma, alleen herkenbaar voor wie het zelf geroken heeft. Gemengd met de geur van de brand, de stank van verrotting, lijkenlucht. Aan de Boompjes waren koffiepakhuizen verbrand. Het nablussen duurde voort. Daar fietste ik door plassen koffie die de Maas instroomden.

Misschien, heb ik wel eens gedacht, zou de tiende mei tot dag van nationale herdenking moeten worden uitgeroepen, omdat toen in 1940 het Nederland dat anderhalve eeuw met succes neutraal was gebleven, volstrekt onvoorbereid en zonder aanleiding of oorzaak weer in de wereldgeschiedenis werd gesleurd. De climax van dit drama heeft zich toen vier dagen later aan Rotterdam voltrokken. Het drie tot vier eeuwen oude centrum werd vernietigd door een luchtaanval die hooguit twintig minuten heeft geduurd. Bij de aanval en de brand verloren 850 mensen het leven. In totaal is een oppervlakte van 258 hectare verwoest. Ongeveer 79.600 mensen werden dakloos. Het bombardement is niets anders dan een gigantische oorlogsmisdaad.

Nu, 67 jaar na de catastrofe is de brandgrens vastgesteld. Nu kunnen we ons in ieder geval het oppervlak van de verdwenen stad voorstellen. En we hebben de herrezen Sint Laurenskerk en toren. En de foto’s en films van wat zich toen heeft voltrokken. Herdenken heeft zin, het is een essentieel onderdeel van het historisch besef. Het helpt aanzienlijk als we ons bij de plechtigheid een concrete voorstelling kunnen maken. Dat is de brandgrens. Nu nog een datum. Dat is de veertiende mei.

Dit is een verkorte weergave van de publicatie ‘14 mei’, die vanavond in de Laurenskerk wordt besproken tijdens de herdenking van het bombardement.

De volledige tekst is te lezen op nrc.nl