16.790.000 Fransen stemden op Royal

Volgens columnist Roger Cohen heeft Frankrijk afgekerend met de zijn linkse waanideeën (nrc.next, 10 mei).

Dat beeld heeft niets met de werkelijkheid van doen.

De overwinning van Nicolas Sarkozy is het teken dat de Fransen eindelijk het bijgeloof in staatsinterventie hebben overwonnen en de zegeningen van de markteconomie erkennen, stelt Roger Cohen (nrc.next, 10 mei). Het is een van de tien ‘lessen’ die de columnist van The New York Times trekt uit de Franse verkiezingsuitslag. Zijn lessen doen echter geen recht aan de feiten.

De overwinning van Sarkozy was ten eerste niet zo denderend als Cohen stelt: 53 procent tegenover 47 procent voor Ségolène Royal. Een echte aardverschuiving ziet er anders uit. Frans links is dan ook zeker niet ‘op sterven na dood’, zoals Cohen stelt. Royal heeft in de tweede ronde 16,79 miljoen kiezers achter zich verzameld – de meeste stemmen ooit voor een linkse kandidaat in Franse presidentsverkiezingen, meer dan Mitterrand ooit heeft gehaald. Royal dankt het verlies meer aan de antipathie van de elite van de socialistische partij dan aan gebrekkige steun voor linkse ideeën van de bevolking.

De Franse kiezers stemden dan ook niet op Sarkozy omdat zij in hem de advocaat voor vrije marktwerking zagen. Volgens de meest recente Eurobarometer, de grootste opiniepeiling binnen de EU, ziet maar liefst 64 procent van de Fransen globalisering als een bedreiging voor nationale bedrijven en werkgelegenheid, het hoogste percentage binnen de hele EU.

Bovendien stáát Sarkozy ook niet voor vrije marktwerking. Sarkozy eiste als minister van Financiën, in 2004, meer staatsinterventie in het Europese rentebeleid, hielp in dat jaar een bod van het Duitse Siemens op het Franse Alstom om zeep en hield het neoliberale monetair beleid van de Europese centrale bank onlangs nog verantwoordelijk voor de hoge Franse werkloosheidscijfers. Sarkozy’s geloof in marktwerking is duidelijk ondergeschikt aan zijn trouw aan Franse nationale belangen – of zijn visie daarop.

Het is dan ook onzin om Sarkozy’s verkiezingszege te interpreteren als de reïncarnatie van Frankrijk als neoliberale maatschappij. Hoe kwam Cohen bij zijn interpretatie? Het leest alsof hij een boodschap wil doorgeven die met de verkiezingen niets te maken heeft, namelijk dat Europa er goed aan doet te beseffen dat linkse ideeën failliet zijn. Dan zou Europa de ‘afhankelijkheidscultuur’ vaarwel kunnen zeggen, die momenteel een fatsoenlijk ‘arbeidsethos’ – zoals in de VS en Groot-Brittannië – blokkeert.

Maar Cohens stelling dat de Franse economie niet op gang komt omdat Fransen te weinig werken vanwege de verplichte 35-urige werkweek is twijfelachtig. De doorsnee Franse werknemer werkt per dag een half uur langer dan de gemiddelde Duitser, en bijna een uur langer dan de gemiddelde Nederlander. Toch zijn de Duitse en Nederlandse economie weer overeind gekrabbeld. Het belangrijkste structurele probleem waarmee Frankrijk worstelt – de leegloop van het platteland vanwege de de industrialisering – zou je door marktwerking juist niet bestrijden.

Cohen durft te stellen dat de Britten een schoolvoorbeeld zijn van hoe je kan reformeren „zonder het traditionele niveau van sociale voorzieningen los te laten”. Maar wie eens rondloopt in troosteloze Britse voorsteden, ziet dat dit niet klopt. Waarom is het werkloosheidspercentage in Groot-Brittannië nog geen vijf procent? Heel simpel. Alleenstaande werklozen krijgen 85 euro uitkering in de week, einde verhaal. Daar komt niemand van rond; noodgedwongen nemen ze elke flutbaan aan.

Onlangs publiceerde UNICEF een rapport over blijdschap van kinderen in industrielanden. Helemaal bovenaan stond Nederland – het land waar het minst gewerkt wordt en mensen daarom meer tijd hebben voor kinderen. Hekkensluiters van de lijst – de landen met de minst blije kinderen – waren Groot-Brittannië en de VS, vooral omdat veel kinderen onder de armoedegrens leven. Mooie voorbeelden zijn dat.

Cohens interpretatie van de Franse verkiezingen is dus op zijn zachtst gezegd avontuurlijk. Hij schildert deze af als een grote Europese stap richting de zegeningen van het neoliberalisme. Meer nog, hij suggereert eigenlijk dat we, als we goed bij ons hoofd zijn, helemaal geen andere kant op kunnen gaan. Maar het doel van verkiezingen is juist om keuzes te maken. Laten we hopen dat democratische maatschappijen meer dan alleen het neoliberalisme als alternatief blijven zien.

Daniel Mügge is politicoloog en promoveert momenteel op een onderzoek naar Europese integratie.

Het stuk van Roger Cohen is terug te lezen op nrc.nl/opinie