Welvaart of wildernis voor IJslandse kiezers

De IJslanders kiezen een nieuw parlement, na een campagne die lang en hevig was. Want het mag goed gaan, maar de tegenstelling tussen industrie en milieu levert veel debat op.

Op het eerste gezicht is er voor de IJslanders weinig reden voor ontevredenheid. De economie deed het onder leiding van de conservatieve premier Geir Haarde de afgelopen jaren uitstekend. IJsland veranderde in iets meer dan een decennium van een op visserij gebaseerde, statische maatschappij in een geliberaliseerde markteconomie met een diversiteit aan producten. Het inkomen per hoofd van de bevolking ligt met zo’n 28.500 euro op het niveau van rijke Europese landen als Zwitserland en Noorwegen.

Toch was de campagne voor de parlementsverkiezingen van vandaag lang en hevig. Kennelijk is een voortzetting van de succesvolle coalitie van Haarde’s Onafhankelijkheidspartij en de vooral bij boeren en vissers populaire Progressieve partij, die al twaalf jaar regeert, niet vanzelfsprekend.

Dat heeft veel te maken met de aluminiumindustrie. Het succes van het huidige economische beleid is mede te danken aan de welwillende houding van de regering tegenover aluminiumsmelterijen. Deze grootverbruikers van elektriciteit lieten hun oog vallen op IJsland omdat energie daar relatief goedkoop en groen (met waterkracht en geothermische energie) kan worden opgewekt.

De bouw van een smelterij van Alcoa, met een productiecapaciteit van 346.000 ton aluminium per jaar, aan de door economische malaise geplaagde IJslandse oostkust heeft geleid tot een intensief debat over industrialisatie en natuurbescherming. Om de smelterij, die onlangs in gebruik is genomen, van stroom te voorzien werd een waterkrachtcentrale gebouwd ten noorden van Europa’s grootste gletsjer, Vatnajokull. Er werd een dam aangelegd, de grootste van Europa (voor 1,5 miljard euro) en een stuwmeer waar een groot natuurgebied voor werd opgeofferd. Milieuorganisaties willen ‘Europa’s laatste wildernis’ beschermen. Zij vrezen dat uitbreiding van de aluminiumindustrie leidt tot een aantasting van de ongerepte natuur door meer stuwdammen, centrales en hoogspanningsmasten. Veel IJslanders vinden die prijs te hoog voor een fabriek.

De twee grote oppositiepartijen, de sociaal-democraten en de Groenlinks, zijn het daarmee eens. De eersten willen verdere projecten voorlopig uitstellen. Groenlinks wil helemaal geen nieuwe projecten (Alcoa zou in het noordoosten van het land nog een smelterij willen). De twee partijen wijzen ook op economische problemen door de grote buitenlandse investeringen. Zo heeft de traditioneel egalitaire IJslandse samenleving in korte tijd een kleine, maar rijke bovenlaag van financiers en ondernemers gekregen. Ook is de economie door de komst van buitenlands kapitaal op hol geslagen. De inflatie – altijd al hoog – is enorm gestegen, tot bijna 8 procent in 2005 en de rente bedraagt 14,25 procent.

De stijgende welvaart heeft volgens de oppositie op allerlei andere terreinen niet geleid tot verbeteringen. Zo zijn er grote problemen in de gezondheidszorg. Het landelijk ziekenhuis van Reykjavík komt honderden verpleegsters te kort; zelfs het management moet bijspringen om de basisverzorging te garanderen.

Opmerkelijk is dat de buitenlandse politiek in de campagne nauwelijks een rol speelde. Sinds de VS vorig jaar hun marine- en luchtmachtbasis Keflavik voorgoed ontruimden, heeft IJsland – dat zelf geen strijdkrachten heeft – overeenkomsten gesloten met Noorwegen en Denemarken om de militaire veiligheid in de Noord-Atlantische Oceaan te verzekeren.

Opiniepeilingen voorspellen dat premier Haarde’s Onafhankelijkheidspartij verreweg de grootste partij zal blijven in de 63 zetels tellende Althing, het parlement. Maar de coalitiepartner, de Progressieve partij, staat op fors verlies. Daardoor dreigt de coalitie haar meerderheid te verliezen. De sociaal-democraten onder Ingibjorg Solrun Gisladottir, die negen jaar burgemeester was van Reykjavík, en Groenlinks lijken samen echter evenmin op een meerderheid te kunnen rekenen. De onlangs opgerichte (groene) IJslandse Beweging lijkt geen grote rol te kunnen spelen, net zo min als de Liberalen, die mede dank zij hun campagne tegen buitenlanders (vooral tijdelijke arbeidskrachten uit Polen en Litouwen) die tegen te lage lonen zouden werken, op vijf of zes zetels staan.

In het openbaar hebben de regeringspartijen en de oppositie de afgelopen tijd niets aardigs over elkaar gezegd. Maar de kans is groot dat ze straks tot elkaar veroordeeld zijn. Maar volgens politicoloog Baldur Thorhallsun zijn achter de schermen de gesprekken voor samenwerking al lang begonnen.