Wat stelt dat Midden-Oosten nou helemaal voor?

Achtergebleven samenlevingen moet je met rust laten. Dat is iets wat Midden-Oostenexperts steeds weer vergeten. Zonder invasies of al dan niet vriendschappelijke inmengingen zouden de volkeren van het Midden-Oosten eindelijk hun eigen geschiedenis kunnen schrijven.

Edward Luttwak

Verbonden aan het Centre for Strategic and International Studies in Washington DC. Recente boeken zijn ‘The Endangered American Dream’ en ‘Turbo-Capitalism’.

Westerse analisten mekkeren altijd over de strategische betekenis van het Midden-Oosten. Maar met al zijn olie is dat achtergebleven gebied onbelangrijker dan ooit, en het zou voor iedereen het beste zijn als de wereld het voortaan links liet liggen.

Waarom slaan Midden-Oostenexperts toch altijd de plank mis? De geschiedenis leert ons dat wij niets leren van de geschiedenis, maar de Midden-Oostenexperts zouden ten minste, zoals wij allemaal, lering moeten trekken uit hun vroegere fouten. Maar nee, zíj maken ze telkens weer.

De eerste fout is het paniekerige idee dat het ‘vijf voor twaalf’ zou zijn. Wijlen koning Hoessein van Jordanië was daar een meester in. Met een dodelijk ernstig gezicht placht hij ons te waarschuwen dat het geduld nu op was en dat het Arabisch-Israëlische conflict op springen stond; vergeleken bij wat er nu ging gebeuren zouden alle vroegere conflicten in het niet vallen, tenzij, tenzij... En dan kwam de remedie, die in vergelijking met de voorspelde immense catastrofe doorgaans nogal slapjes uitviel: bepaalde vastgelopen onderhandelingen hervatten, of een Amerikaanse afgezant erbij halen om de Palestijnen de gebruikelijke beloften te doen en Israël op de gebruikelijke manier onder druk te zetten. We lezen versies van Hoesseins standaardverhaal in talloze krantencolumns, we horen dezelfde bezweringen in eindeloos herhaalde radio- en televisieoptredens van altijd weer dezelfde Midden-Oostenexperts, en nu herhaalt Hoesseins zoon Abdallah geregeld de toespraak van zijn vader, praktisch woord voor woord.

Wat op die ‘uren van de waarheid’ – en er kan er ieder moment weer een komen – iedere keer eigenlijk gebeurt, heeft niet veel om het lijf: alleen dezelfde oude conflictcyclus, die altijd weer oplaait wanneer bijna de vrede uitbreekt, en die altijd weer inzakt wanneer het geweld maar hevig genoeg wordt. De geringste schermutseling wordt in de media opgeblazen, want het is zo gemakkelijk om vanuit de veilige, comfortabele hotels in Israël opnames te maken en verslag te doen. Maar laten de humanitair betrokkenen wél bedenken dat er sinds 1921 in het Joods-Palestijnse conflict nog geen honderdduizend doden zijn gevallen – ongeveer het aantal slachtoffers van één seizoen strijd in Darfur.

De strategische betekenis van het conflict tussen de Arabieren en Israël is sedert het einde van Koude Oorlog vrijwel nihil geweest. En de invloed van het conflict op de olieprijzen, ja, die was groot toen de Saoediërs in 1973 een embargo uitriepen en de kraan dichtdraaiden, maar dat was de eerste en meteen ook de laatste keer dat het ‘oliewapen’ is gebruikt. De grootste Arabische olieproducenten hebben sedert tientallen jaren ieder verband tussen politiek en prijsbeleid afgezworen en een embargo zou rampzalig zijn voor hun economieën, die op de olie-inkomsten zijn aangewezen. De relatie tussen het tumult in het Midden-Oosten en de olieprijzen is trouwens verre van eenduidig. Philip Auerswald merkte onlangs in het tijdschrift The American Interest op dat tussen 1981 en 1999 – een periode waarin een fundamentalistisch regime zich heeft gevestigd in Iran, waarin Iran en Irak op een steenworp afstand van olie- en gasinstallaties acht jaar oorlog hebben gevoerd, waarin de Golfoorlog zich heeft voltrokken en de eerste Palestijnse intifada woedde – de olieprijzen, gecorrigeerd voor de inflatie, feitelijk zijn gedaald. Ook de mondiale afhankelijkheid van de olie uit het Midden-Oosten daalt: de regio produceert thans geen 30 procent meer van de aardolie van de wereld, tegen bijna 40 procent in 1974-1975. In 2005 kwam 17 procent van de Amerikaanse olie-import uit de Golf, tegen 28 procent in 1975. President Bush verklaarde in 2006 in zijn State of the Union dat hij voornemens was om voor 2025 de Amerikaanse olie-invoer uit het Midden-Oosten met driekwart te verminderen.

Natuurlijk zou het fijn zijn als de Israëliërs en de Palestijnen het eens werden, maar dat zou niet of nauwelijks de andere conflicten in het Midden-Oosten – van Algerije tot Irak – temperen, of een einde maken aan het geweld tussen moslims en hindoes in Kashmir, moslims en christenen in Indonesië en de Filippijnen, moslims en boeddhisten in Thailand, moslims en animisten in Soedan, moslims en Igbo in Nigeria, moslims en Moskovieten in Tsjetsjenië, of aan de diverse vormen van onderling islamitisch geweld tussen traditionalisten en radicale moslims of tussen sunnieten en shi’ieten. Het zou evenmin een dempende uitwerking hebben op de maar al te begrijpelijke vijandschap van overtuigde radicale moslims jegens het opdringerige Westen, dat meedogenloos hun psyche binnendringt, en soms ook hun landen.

Onheilsverwachtingen met betrekking tot het Arabisch-Israëlische conflict slaan de plank helemaal mis. In de eerste plaats omdat dat conflict zich binnen tamelijk nauwe grenzen afspeelt, en ten tweede omdat de Levant gewoon niet meer zo heel belangrijk is.

De tweede telkens herhaalde fout is het Mussolinisyndroom. Uit contemporaine bronnen blijkt ondubbelzinnig wat wij ons haast niet meer kunnen voorstellen: serieuze lieden, onder wie Britse en Franse militaire leiders, namen Mussolini’s beweerde status van grote mogendheid serieus omdat zij dachten dat hij over strijdkrachten van betekenis beschikte. Braaf telde men zijn legerdivisies, slagschepen en luchtmachteskaders om de Italiaanse militaire kracht te taxeren. Daarbij werd weliswaar enigszins rekening gehouden met het ontbreken van de allermodernste wapens, maar níét met het veel wezenlijker gebrek: strijdvaardigheid. De Britten, die om Mussolini te lijmen hem Ethiopië hadden gegund – waarna hij zodra de oorlog begon toch de kant van Hitler koos – merkten dat de Italiaanse troepen in de strijd spoedig het veld ruimden. Dat kon ook niet anders, want de meeste Italiaanse soldaten waren onwillige rekruten uit de straatarme boerenbevolking uit het zuiden of de bijna net zo miserabele pachtersdorpjes in het noorden.

Ook de broederschap der Midden-Oostenexperts maakt steeds precies dezelfde fout. Hardnekkig dichten zij heuse militaire kracht toe aan achtergebleven samenlevingen waarvan de bevolking wel grossiert in opstanden, maar geen moderne strijdkrachten kan onderhouden.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw werd het Egypte van Nasser ten onrechte aangezien voor een serieuze militaire mogendheid, alleen omdat het een heleboel vliegtuigen, tanks en kanonnen had gekregen van de Sovjet-Unie, en omdat het veel legerdivisies en luchtmachteskaders had. In mei 1967, aan de vooravond van de zesdaagse oorlog, waren velen het eens met de voorspelling van veldmaarschalk Montgomery, die toen het slagveld bij El Alamein nog eens bezocht, dat de Egyptenaren de Israëliërs in een ommezien zouden verslaan. Zelfs meer behoedzame analisten hadden het niet voor mogelijk gehouden dat de Israëliërs de Egyptenaren binnen enkele dagen vernietigend zouden verslaan. In 1973, toen het allemaal veel dramatischer verliep, waren er toch maar drie weken nodig voor hetzelfde resultaat.

In 1990 was Irak aan de beurt om als militaire mogendheid zwaar te worden overschat. Saddam Hussein had meer materieel dan Nasser ooit bij elkaar had gebracht, en hij kon zich erop beroemen na acht jaar oorlog Iran, met zijn veel grotere bevolking, te hebben verslagen. In de maanden voor de Golfoorlog werd er druk en nerveus gespeculeerd over de omvang van het Iraakse leger. Weer werden braaf de divisies en de regimenten geteld, als waren het Duitse divisies aan de vooravond van D-Day, waarbij apart rekening werd gehouden met de ‘elitetroepen’ van de Republikeinse Garde, en niet te vergeten de ‘super-elitetroepen’ van de Speciale Republikeinse Garde. Ook werd gevreesd dat Iraks bomvrije vliegtuighangars en diepe bunkers alle luchtaanvallen zouden doorstaan.

Dat dit alles op een zeker niveau tamelijk serieus werd genomen, valt af te lezen aan de omvang van de coalitielegers die met veel moeite en zorg werden bijeengebracht, waaronder 575.000 Amerikaanse, 43.000 Britse, 14.663 Franse en 4.500 Canadese troepen – die overigens door hun heiligschennende heidense aanwezigheid op Arabische grond Osama bin Laden ertoe hebben gebracht zijn wraakoefening op touw te zetten. Uiteindelijk bleken twee weken precisiebombardementen genoeg om Saddams complete oorlogsmachinerie lam te leggen – die uiteindelijk amper verzet bood tegen het overdonderende grondoffensief. De Iraakse luchtmacht heeft geen moment geprobeerd de strijd aan te gaan, en op al die zo zorgvuldig getelde tanks was het vooral schijfschieten. Een echt leger zou het in de loopgraven in Koeweit zelfs zonder luchtsteun weken of maanden hebben uitgehouden, maar Saddams leger was de gebruikelijke Midden-Oostenfaçade zonder echte gevechtskracht.

Nu doet het Mussolinisyndroom zijn werk in Iran. Alle symptomen zijn present, inclusief overzichten van de Iraanse oorlogsschepen (hoewel die merendeels meer dan dertig jaar oud zijn), gevechtsvliegtuigen (waarvan er veel – F-4’s, Mirages, F-5’s, F-14’s – bij gebrek aan reserveonderdelen al jaren aan de grond staan) en divisies en brigades die alleen op papier bestaan. Men spreekt met ontzag over de Pasdaran, de Revolutionaire Gardes, die onvermijdelijk ‘elitetroepen’ worden genoemd, en die weliswaar als pauwen rondstappen alsof ze de nodige oorlogen gewonnen hebben, maar die in feite maar één oorlog hebben gevoerd – tegen Irak, en die hebben ze verloren. Dan is er nog de bewering van Iran dat het vorig jaar via Hezbollah Israël heeft verslagen. De publiciteit was voortreffelijk, maar in wezen lag de zaak anders, want ongeveer een kwart van de best opgeleide manschappen was gesneuveld, wat verklaart waarom het ooit zo rumoerige Hezbollah sinds het staakt-het-vuren niets meer van zich heeft laten horen en geen vin meer heeft verroerd.

Dan is er nog de nieuwe lichte cavalerie van het Iraanse terrorisme om ons schrik aan te jagen als al het overige niets uithaalt. De doorsnee Midden-Oostenexpert weet te vertellen dat als wij de ayatollahs ergeren, zij terroristen zullen sturen om onze levens te verwoesten, hoewel dertig jaar ‘dood aan Amerika’ en grote bedragen die zijn gespendeerd aan een speciaal departement voor internationaal terrorisme niet méér hebben uitgehaald dan één grote bomaanslag in Saoedi-Arabië in 1996 en twee in het wel zeer soepele milieu van Buenos Aires in 1992 en 1994, plus een paar moorden op ballingen in Europa.

Mocht er een nachtelijk bombardement worden uitgevoerd op nucleaire installaties in Iran, dan zal er wel iets van vergelding plaatsvinden, maar wij verkeren in de gelukkige omstandigheid dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over wereldoorlogen, maar alleen over terrorisme – en wat Iran daar nog aan toevoegt zal vermoedelijk niet veel om het lijf hebben. Er zijn misschien goede redenen om Irans nucleaire installaties niet aan te vallen – zoals de zeer trage en onzekere voortgang van zijn uraniumverrijking – maar níét dat het in staat zou zijn om terug te slaan. Zelfs het ogenschijnlijk zo fragiele tankerverkeer door de Golf en de Straat van Hormuz is niet zo kwetsbaar als het lijkt – zowel Iran als Irak heeft zonder veel succes vele malen geprobeerd het aan te vallen, en nu staat de Amerikaanse marine klaar om ieder vliegveld en iedere steiger vanwaar een uitval wordt gedaan te vernietigen.

En wat het idee betreft dat ‘de Iraniërs’ zich vol vaderlandsliefde achter het nucleaire programma scharen – zo’n natie is er helemaal niet. De Iraanse bevolking van circa zeventig miljoen zielen bestaat voor 51 procent uit etnische Perzen en voor 24 procent uit Turken (‘Azeris’ noemt het regime hen), terwijl het resterende kwart gevormd wordt door andere minderheden. Velen van de zestien à zeventien miljoen Iraanse Turken verzetten zich tegen het Perzische culturele imperialisme, de vijf à zes miljoen Koerden zijn een serieuze opstand begonnen, de Arabische minderheid plaatst bommen in Ahvaz, en leden van Baloetsjische stammen vallen politie en Revolutionaire Gardisten aan. Als een procent of veertig van de Britten zich in wisselende mate met separatistische strijd bezighielden, zou niemand beweren dat zij eensgezind achter de Londense regering stonden. Daar komt nog bij dat een groot deel van de Perzische meerderheid oppositie voert tegen het theocratische regime, hetzij omdat men in reactie op de vele verboden genoeg heeft van de islam, hetzij omdat het soefi’s zijn, die de regering thans bijna net zo hevig vervolgt als de kleine Baha’i-minderheid. Dus alsjeblieft geen verhalen meer uit Teheran over die geweldige nationale eenheid.

Het Perzische nationalisme verkeert in een minderheidspositie in een land waar de helft van de bevolking niet eens Perzisch is. In deze tijd is het zo dat multinationale landen ofwel decentraliseren ofwel met meer of minder vertoon van geweld uiteenvallen. Iran decentraliseert niet, dus zijn toekomst lijkt nogal voorspelbaar, terwijl op dit moment, als het land zou worden aangevallen, weinig cohesie te verwachten valt.

De derde en grootste fout die de Midden-Oostenexperts van alle gezindten – arabofielen of arabofoben, turkologen of iranisten – steeds weer maken, is ook het eenvoudigst te omschrijven. Het is de hoogst eigenaardige overtuiging dat deze oeroude naties gemakkelijk te beïnvloeden zouden zijn. Hardliners blijven maar opperen dat men na enig welgemikt geweld – ‘hard optreden is het enige wat de Arabieren begrijpen’ – wel zal bijdraaien. Maar wat telkens weer gebeurt is dat de vijandigheid toeneemt: na een nederlaag volgt geen samenwerking, maar een norse onwil om samen te werken, plus actief verzet. Arabische landen verslaan is niet moeilijk, maar je schiet er meestal niets mee op. Met geweld kun je wel gevaarlijke wapens vernietigen, maar geen gewenste gedragsverandering tot stand brengen.

Softliners begaan precies dezelfde fout, maar dan omgekeerd. Zij betogen steeds weer dat als we nu maar die of die concessie deden, als hun beleid nu maar consequent werd uitgevoerd en als wij nu maar respect toonden, of veinsden, dan zou de vijandschap omslaan in hartelijke, mediterrane betrekkingen. Maar zelfs de minst onderlegde Midden-Oostenexpert zal toch weten dat de islam, net als iedere andere beschaving, alle aspecten van het menselijk leven omvat, en dat hij, anders dan sommige andere, de gelovigen in alle opzichten superioriteit belooft, met als gevolg dat de achterlijkheid van de islamitische landen op het gebied van wetenschap, technologie en cultuur uitmondt in een zich steeds vernieuwend gevoel van vernedering, van te behoren tot een beschaving die het onderspit delft.

Dat is een afdoende verklaring voor de alomtegenwoordigheid van het islamitische geweld, en het toont aan hoe zinloos de adviezen van de zachte heelmeesters zijn.

De praktische fout die de Midden-Oostenexperts blijven maken is dat zij niet inzien dat je achtergebleven samenlevingen met rust moet laten. Zo laten de Fransen nu heel verstandig Corsica in zijn sop gaar koken, en de Italianen doen stilzwijgend hetzelfde met Sicilië, sinds ze hebben begrepen dat door megaprocessen alleen maar de macht terechtkwam bij een nieuwe, slimmere maffia van artsen en advocaten.

Zonder invasies of vriendschappelijke inmenging zouden de volkeren van het Midden-Oosten eindelijk hun eigen geschiedenis kunnen krijgen – het enige wat de Midden-Oostenexperts van iedere pluimage hun met alle geweld lijken te willen onthouden.

Zo komen wij op de fout die de rest van ons maakt. Wij schenken veel te veel aandacht aan het Midden-Oosten, een merendeels vastgelopen regio waar op wetenschappelijk en kunstzinnig gebied vrijwel niets gebeurt. Afgezien van Israël is de productie van octrooien per hoofd van de bevolking in de landen van het Midden-Oosten eenvijfde van die van Afrika ten zuiden van de Sahara. De bevolking van het Midden-Oosten – niet meer dan circa vijf procent van de wereldbevolking – is opvallend improductief, waarbij een hoog percentage helemaal geen deel uitmaakt van de beroepsbevolking. Ook wij zouden merendeels niets uitvoeren als wij inwoners waren van Abu Dhabi, waar een handjevol burgers profiteert van een sloot oliegeld. Maar ook de 27 miljoen inwoners van Saoedi-Arabië leven in hoofdzaak van de olie-inkomsten die naar hen doorsijpelen; het meeste werk wordt overgelaten aan buitenlandse technici en handarbeiders. Toch is zelfs bij de hoge olieprijs in Saoedi-Arabië het jaarinkomen per hoofd van de bevolking, 14.000 dollar, maar ongeveer de helft van dat in het olieloze Israël.

Saoedi-Arabië heeft een goed excuus: het was een land van oasekeuterboeren en bedoeïenenherders, die natuurlijk niet in een halve eeuw zomaar captains of industry kunnen worden. Veel opmerkelijker is het olieparasitisme van het voorheen veel hoger ontwikkelde Iran. Dat exporteert maar 2,5 miljoen vaten olie per dag – tegen Saoedi-Arabië 8 miljoen – en toch is de olie nog altijd goed voor tachtig procent van de Iraanse export, doordat de landbouw en de industrie zo improductief geworden zijn.

Ooit was het Midden-Oosten ’s werelds meest geavanceerde regio, maar tegenwoordig floreren vooral twee bedrijfstakken: extravagant consumeren en wrok spuien. Volgens het VN-rapport uit 2004 over de menselijke ontwikkeling in de Arabische wereld is de regio na Afrika ten zuiden van de Sahara het gebied met het laagste volwassenenalfabetisme ter wereld: 63 procent.

Als gevolg van de afhankelijkheid van aardolie vertegenwoordigen industriële producten er slechts 17 procent van de export, tegen een mondiaal gemiddelde van 78 procent. En ondanks de olierijkdom heeft heel het Midden-Oosten in 2006 nog geen 4 procent van het bruto binnenlands product van de wereld voortgebracht – minder dan Duitsland.

Wij moeten daarom, tenzij er onmiddellijk gevaar dreigt, onze aandacht richten op de oude en nieuwe creatieve landen in Europa en Amerika, India en Oost-Azië – streken waar een hardwerkende bevolking vooruitblikt in plaats van te dromen over het verleden.