Stop de modder

Op Java verdwijnen hele dorpen in de modder. Vijftienduizend mensen zijn op de vlucht voor de stinkende massa. „Als het niet zo riskant zou zijn, zou het komisch wezen.”

Overal is grauwgrijze modder en de stank van rotte eieren. Op kruispunten staan jongemannen het verkeer te regelen. Ze helpen een handje in de chaos. En de chaos helpt hen. Soms laten ze gewoon een auto stoppen. Tegen betaling mag de automobilist dan verder. En de stokken die ze bij zich hebben, zijn niet alleen bedoeld om de weg mee te wijzen. Dit type financiële zelfbediening is bij elke ramp in Indonesië hetzelfde en in grote lijnen alom aanvaard.

Zo moet om de honderd meter noodgedwongen het raampje open om een biljet in een uitgestoken emmer te deponeren. Totdat het doel bereikt is: de stomende, stinkende kolom van modder van zo’n veertig meter hoog. Het gaat via slingerwegen, door kleine dorpjes en langs officiële en doe-het-zelf checkpoints. De bezienswaardigheid, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Surabaya, is door de alsmaar stijgende modder steeds moeilijker te benaderen. Al bijna een jaar spuit hier de modder uit de grond, zo’n vijfenzestig wedstrijdzwembaden vol, oftewel 160 miljoen liter per dag, elke dag opnieuw.

Indonesië is het land van de rampen, soms door menselijk toedoen, vaak omdat het land nu eenmaal op de kwetsbaarste breuklijn van de wereldbol ligt, de zogenoemde Ring van Vuur. Vijftig vulkanen in het land zijn nog actief, al doen ze het meestal rustig aan. Maar geen ramp is zo absurd als deze, al was het maar omdat zich hier een natuurramp voltrekt die door mensenhanden is ontketend.

Want zoveel is zeker: de Indonesische firma Lapindo boorde 29 mei vorig jaar hier vlakbij op een rijstveld naar gas. Ze zaten op ruim 2.700 meter. Waarschijnlijk hadden de boorwerkers iets te veel haast en verzuimden ze de boorwand stelselmatig te versterken. Ineens zagen ze – door een oplopende druk – scheuren in de aarde komen. Om een grote knal en de vermoedelijke dood van vijftien boorlieden te voorkomen, trok de boormeester de boor omhoog. En sindsdien spuit de modder.

Hele dorpen verdwijnen erin, fabriekshallen gaan langzaam maar zeker kopje onder, de grote tolweg tussen Surabaya en Malang, ter hoogte van Sidoarjo, is niet meer en met de spoorverbinding is het binnenkort ook afgelopen. Een kleine vijftienduizend mensen zijn uit hun huizen verdreven en 700 hectare landbouwgrond is inmiddels verdwenen.

De 58-jarige ingenieur Basuki Hadilmujono, sinds negen maanden directeur-generaal van het ministerie van Publieke Werken, heeft laarzen en een spijkerbroek aangetrokken. Hij leidt, gewapend met walkietalkies, mobieltjes en een krachtige stem, het zogenoemde Nationaal Modderstroom Management Team ter plaatse. Zijn lange manen steken onder zijn helm uit – als een Javaanse variant op de vroegere Texaanse oliebrandenblusser ‘Red’ Adair gaat hij de modder te lijf. Zijn nieuwste vondst: kogels. Grote en kleine betonnen kogels, 50 tot 80 centimeter in doorsnee, worden elke dag in het stikhete gat geploft in de hoop de spuitende vulkaan te smoren. Al driehonderdvijftig zijn erin gekieperd. Tot nu toe zonder resultaat, een bodemlozere put dan hier schijnt niet te bestaan. Het is iets nieuws – een vulkaan te lijf gaan met grote stenen. Basuki: „We moeten toch wát doen, anders is er hier geen hoop.”

Maar Basuki rekent er niet echt op dat zijn plan slaagt. Nog zo’n 150 grote kogels zullen in het gat worden gegooid, dan houdt dit experiment op. Zijn volgende plan: dijken met een hoogte van soms wel 20 meter moeten de modder leiden naar de rivier de Porong, die uiteindelijk in zee uitkomt. De president van Indonesië heeft dit plan onlangs voorzien van zegel en stempel.

Leuk en sexy

Amien Widodo, geoloog aan de technische universiteit in Bandung, ziet er helemaal niets in. Op zijn laptop laat hij voorbeelden zien van moddervulkanen uit het verleden in de Amerikaanse staat Utah en in Azerbajdzjan: „Mensen denken hier dat het wel meevalt, dat er wat te managen valt. Maar geleidelijk wordt een steeds groter oppervlakte gewoon vulkanisch gebied.”

Hij wil grootscheeps ontruimen, tot aan de honderdduizend mensen aan de randen van Sidoarjo toe, en de modderstroom de andere kant opsturen, meteen richting zee. „We hebben geen keuze. Het idee van die dijken is absurd. De rivier voert die modder niet zo keurig af als onze president wel denkt. Dit is een ramp, alleen gaat het zo geleidelijk dat niemand de volle omvang wenst te zien. Zoiets is in zo’n dichtbevolkt gebied nog nooit gebeurd.”

Het storten van kogels in het boorgat acht hij zinloos. „Dat is alleen maar politiek. Als het niet zo riskant zou zijn, zou het komisch wezen. Maar voor hetzelfde geld neemt de druk daar beneden toe en knalt alles er een keer uit.” Hij laat e-mails van vakgenoten uit de hele wereld zien. Het commentaar van Richard Davies, geoloog aan Durham University in Engeland, is een aardige samenvatting van de geleerde opinies: „Niemand heeft ooit een moddervulkaan kunnen stoppen.”

Kort na de uitbarsting vorig jaar greep de Indonesische president Yudhoyono de gebeurtenis aan om er een showcase van crisismanagement van te maken. Hij vergaderde, bezocht de plek des onheils en acteerde als de kapitein op het schip. Er kwam een Nationaal Modderstroom Management Team onder dagelijkse leiding dus van Basuki.

Maar daadkracht botste op bodemkundige en maatschappelijke tegenkrachten. Zo was er eigenlijk een grote taak weggelegd voor de minister van Sociale Zaken, Aburizal Bakrie, maar die zweeg vaak en liet zich al helemaal niet zien onder de slachtoffers. En dat was begrijpelijk, want laat de bewindsman nou toevallig ook mede-eigenaar zijn van de firma Lapindo en daar was iedereen woedend op: die had het gedaan en die zou moeten betalen.

De firma Lapindo was dat niet van plan. Eerst probeerde het overkoepelende conglomeraat tot twee keer toe zijn dochtermaatschappij Lapindo voor twee dollar te verkopen aan een gegadigde die niemand kende en die op de Maagdeneilanden een onzichtbaar leven leidde. Hoewel over het algemeen nauwelijks opgeleid, hadden de mensen in het gebied in de gaten wat hier dreigde te gebeuren. Het regende protesten en stenen voor het Lapindo-kantoor in de stad en de familie Bakrie, die in het hele land voor miljarden bedrijfsbelangen heeft, kon niet anders dan bakzeil halen. De verkoop ging niet door.

Bij een bezoek aan het kantoor van Lapindo in december was alles anders: een paar legertrucks met soldaten zorgden buiten voor veiligheid en binnen zat nu een speciaal ingehuurd public-relationsteam. Een vriendelijke jongeman had net een flitsende brochure in elkaar gezet met als boodschap dat er eigenlijk weinig zo leuk is als een moddervulkaan: „Leuk en sexy om over te praten”, aldus de brochure en een fotoreportage liet nieuwsgierige ramptoeristen zien met als opschrift: „Wanneer het Lusi Meer plotseling een attractie wordt.” De koosnaam Lusi was een vondst, het staat voor Lumpur Sidoarjo, de modder van Sidoarjo. Zo heette ook het speciale mediacentrum van Lapindo: Lusi. En modern als ze waren hadden ze in mediacentrum Lusi ook nog een script voor een televisiesoap gemaakt voor Surabaya televisie met een love story in een daklozenkamp. Werktitel ‘Een gat graven, een gat vullen’. Lapindo zou per aflevering 3.000 euro betalen.

Nu, vier maanden later, is het weer leeg in mediacentrum Lusi – het pr-offensief schijnt niet helemaal de juiste snaar in de regio te hebben geraakt. De naam Lusi wil maar niet beklijven en Lapindo moet betalen. Er is een deal gemaakt: de firma draait op voor compensaties aan gedupeerde bewoners en de staat neemt de kosten voor alle infrastructuur voor zijn rekening. Dit zou Lapindo – met de nadruk op zou – zo’n 350 miljoen euro kunnen kosten, de staat een onbekend veelvoud hiervan.

Langs de spoorlijn in Sidoarjo, met her en der oude Nederlandse villa’s, kan het verkeer door de modder geen kant meer op. Bulldozers, vrachtwagens en ongemotoriseerde bejaks maken deze stad van meer dan anderhalf miljoen inwoners een nachtmerrie. Supiadi trapt zo’n bejak en fietst terug naar zijn gezin. Hij blijkt ondergebracht in een kiosk van een grote markt, een raamloos nieuw hok met een rolluik, 2,5 bij 8 meter. Daar zit hij nu al sinds november met vrouw en drie kinderen en tot voor kort met nog een ander gezin: elf mensen. Sinds ‘de explosie’ zijn ze hun huisje en hun grond kwijt. In november brak en explodeerde een gasbuis onder de modder, er vielen doden en er brak een dam. Het was niet zo dat het Nationaal Modderstroom Management Team die gasleiding over het hoofd had gezien. Maar de berekeningen om vast te stellen of die pijp de modderdruk zou kunnen weerstaan, hadden veel tijd in beslaggenomen. Te veel tijd, zo bleek.

Zolang er geen compensatie is, kunnen daklozen als Supiadi hier niet weg. Van beroep is Supiadi marskramer, maar zijn marktgebied is er ook niet meer. Een paar duizend mensen zitten op dit marktterrein in zulke kiosken. Er lopen geiten en schapen, men kookt op brandertjes op de grond. Er zijn kraampjes voor een gekookt ei, voor vleesballetjes, voor kroepoek. Van de gratis verstrekte rijst maakt Monica al Hadj, moeder van twee kinderen, rijstkrackers voor de verkoop. Er is wel eens een dag dat ze er een kleine twee euro mee verdient.

Heel veel werk

Deze week is voor Supiadi bijzonder. Lapindo gaat hem 5,5 miljoen rupiah uitkeren om twee jaar een huisje te kunnen huren. „Dan kom ik nog een half miljoen tekort, maar die verdien ik wel ergens.” Hij komt, omgerekend, zo’n 50 euro te kort. Geen ramp. Of toch?

Gisteren heeft Supiadi gedemonstreerd. Dit keer eens niet tegen Lapindo, maar tegen de dorpschef van de wijk Gempol Sari. Die blijkt namelijk één miljoen administratiekosten in rekening te brengen voor de transactie, dat is bijna twintig procent van de hele uitkering. Op die manier kan Supiadi nog niet huren.

Op dus naar de dorpschef van Gempol Sari. We treffen hem aan achter een brede, lege tafel in het clubhuis van de wijk. Alles zit onder de schimmel, de gipsplaten hangen gescheurd in het plafond. Wali Adim draagt een honkbalpet en gouden ringen, in zijn colt zit een mobieltje. Hij wordt gesecondeerd door twee assistenten, de een met de buik strak in een voetbalshirtje van het Argentijnse Boca Juniors en de ander afgetraind in het zwart en een petje met de tekst ‘Komando’. Het kantoor ernaast is ook leeg met uitzondering van één schrijfmachine zonder lint. Hoe zit het met die administratiekosten? Wali Adim praat als Brugman. „Het is allemaal de schuld van Lapindo, zij keren alleen uit als mensen een bewijs van eigendom of een huurcertificaat kunnen overleggen. Maar zoiets hebben veel mensen niet, dus moeten die gemaakt worden. Dat is veel, heel veel werk.” En zijn twee secondanten herhalen dat telkens weer: „Heel, heel veel werk.”

Die avond zendt de televisie beelden uit van een vergadering in het presidentieel paleis in Jakarta. De uitkeringen van Lapindo lopen nu, de president roept Lapindo opnieuw op om de contante cash-and-carry betalingen aan de gezinnen nu vooral vlot te verrichten. En het Nationaal Modderstroom Management Team kan worden opgeheven, want een jaar na dato staan de zaken inmiddels op de rails.