Sport & oorlog

Hoe winnen wij van onze volgende tegenstander? En hoe promoveren wij naar de volgende groep? Dat zijn vragen die Davis-Cupcaptains over het algemeen bezighouden. Maar niet Mohammed Faris, de man die sinds enige tijd het nationale team van Irak aanvoert. In augustus 2006 werden drie van zijn spelers na een trainingssessie vermoord. „Naser Ali Hatim, Wisam Adel en Hussein Ahmed Rashid droegen tennisshorts op het moment van de beschieting en hadden het racket nog in hun hand”, zegt hij via een krakerige telefoonverbinding vanuit Myanmar, waar het team dezer dagen tegen Syrië, Myanmar, Qatar en Brunei speelt in de Azië/Oceanië groep vier. „Een van mijn spelers was een shi’iet, twee waren sunniet. Ze werden niet vermoord wegens hun afkomst, maar om het simpele feit dat ze sporter waren.” Het verlies van de drie vrienden liet hun teamgenoten niet onberoerd. Ze kunnen het hoofd maar met moeite bij het tennis houden, vertelt Faris. Nu was dat al moeilijk omdat zij tijdens wedstrijden in Bagdad vaker in een kruisvuur dreigden te geraken. En ook hun kleine maandelijkse toelage is een bron van zorg. „Maar sinds de beschietingen hebben zij een nieuw dieptepunt bereikt.” De afgelopen dagen verloren de Irakezen zes landenwedstrijden op rij: drie van Myanmar en drie van Syrië. Irak staat laatste in de groep en heeft weinig meer te zoeken in het gastland. „Als u het niet erg vindt, ga ik nu ophangen.”

Danielle Pinedo

Dit is de tweede aflevering in een serie over sporten in oorlogstijd.