Niet meedoen is geen optie

Een mevrouw uit Heusden heeft een rechtszaak aangespannen tegen de Postcodeloterij. Er is een hoofdprijs gevallen op haar postcode, maar zij deed niet mee en viel dus buiten de prijzen. Maar dat is niet wat haar dwarszit. Wat haar stoort, en waar ze van gevrijwaard wenst te worden, is dat ze sindsdien de hele tijd wordt lastiggevallen. Door de Postcodeloterij zelf, die bij de prijsuitreiking Hennie Huisman inhuurt om verliezers neer te zetten als afschrikwekkende voorbeelden: „Dit is wat er met je gebeurt als je niet meedoet.” Door bedelbrieven en beleggingsoffertes. Door allerlei leveranciers van jacuzzi’s, campers en andere onnutte attributen die haar en haar postcodelotgenoten bombarderen met ongevraagde aanbiedingen. En door de pu-blieke belangstelling voor het festijn, die er voor een winnaar gewoon bij hoort maar voor haar alleen maar hinderlijk is. Zij wilde niet meespelen, zij was niet uit op een prijs, zij wilde alleen maar met rust gelaten worden. Zij vindt dat de Postcodeloterij een onrechtmatige daad begaat door haar recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te schenden. Advocaat Schutte van de Postcodeloterij ziet het anders. Hij wil ons domme provincialen wel uitleggen dat de marketingtechniek van zijn cliënt in de reclame fear appeal heet, „een volstrekt aanvaard fenomeen”. Als er een woord voor is, is het kennelijk goed, alleen hebben wij het niet begrepen. De Postcodeloterij zelf lacht zich intussen een hoedje: mooier en goedkoper reclame dan deze rechtszaak en de publiciteit eromheen had zij niet kunnen bedenken. Zelfs dit stukje draagt eraan bij.

Heusden is net Nederland. Sommigen lopen grootschalig binnen met aandelenopties of miljoenenbonussen, anderen moeten het doen met een cao-loonstijging of een karige ontslagregeling. Het staat allemaal in de krant en we wonen pal op elkaars lip. Nederland is postcodeland. Vroeger dachten we dat we een betere samenleving zouden krijgen als de inkomens, en speciaal de hogere, openbaar zouden zijn. De top-verdieners zouden beseffen hoe goed ze het hadden in verhouding tot het gemiddelde en zich generen voor buitensporigheid. Het tegendeel heeft zich voltrokken. Topverdieners gingen zich niet afmeten aan de gemiddelden van medewerkers en managers in hun eigen bedrijven, maar aan supertopverdieners in verre landen. Die inkomens waren al langer openbaar, maar zo lang ze dat hier niet waren hoefde er niemand met de billen bloot. Nu staat iedereen met bruto en netto executive compensation in het jaarverslag, en wie niet in het bovenste kwart van zijn referentiegroep zit, is een sukkel. Er komt nog een factor bij, zegt Mickey Huibregtsen, vroeger van McKinsey en nu van burgerforum De Publieke Zaak. Er zijn bestuurders van internationale Nederlandse concerns die met minder geld naar huis gaan dan hun ondergeschikten in het buitenland. En die weten het. In een wereld waar pikordes ertoe doen, is dat niet handig. Bovendien betekent het dat zulke toppers, als ze goed zijn en ambitie hebben, zullen bedanken voor de eer om door te stoten naar de raad van bestuur in het Amsterdamse hoofdkantoor. Zij laten zich headhunten naar lucratiever posities elders, en dat is een strop voor het eigen bedrijf. Dan begin je toch te denken over een zetelverplaatsing naar een land waar veelverdieners minder opvallen. Nee, inkomenstransparantie heeft niet de zegeningen gebracht die we ervan ver-wachtten. Het werd een race naar de top qua geldbelustheid, en naar de bodem qua matiging.

Huibregtsen stelt een remedie voor: topverdieners van beursgenoteerde ondernemingen „ertoe inspireren” een flink deel van hun inkomen aan maatschappelijke doelen te besteden. Hij denkt daarbij aan 5 procent om te beginnen, en oplopend tot 15 procent. Dat zal topverdieners met hun talent betrekken bij goede doelen, denkt Huibregtsen, en sympathie wekken bij het publiek.

Ik denk het niet. 5 of 15 procent, dat lijkt toch vooral op het duizendje dat een grote gokker aan het eind van een lucratieve avond voor het casinopersoneel laat liggen. Of op de muntjes op het schoteltje van de toiletjuffrouw, die kijkt er ook nooit echt dankbaar bij. De achteloosheid van het gebaar wekt eerder irritatie dan sympathie. Maar dat inspireren van Huibregtsen, daar zit wat in.

De tegendraadse Amerikaanse econoom Thorstein Veblen is de bedenker van het begrip conspicuous consumption. Dat is opzichtige gelduitgeverij, zo van ‘kijk eens wat ik kan dat jij niet kunt’. Wij doen alles om ons beter te voelen dan de buurman, zegt Veblen, die nog niets wist van postcodeloterijen. Dat opzichtige kan ook de vorm krijgen van ‘kijk eens hoeveel ik kan weggeven, benieuwd of jij dat ook kunt’. Veblen noemt de Potlatch, een indiaanse rituele wedstrijd in vrijgevigheid, en de laatste kroonprinselijke bruiloft van de Habsburgse keizersfamilie. De dynastie was al blut, maar als ze de bruiloft op een koopje hadden gedaan, waren ze onmiddellijk afgeschreven geweest als machtsfactor van belang. Zo gaven ze miljoenen uit die ze niet hadden. Ze moesten wel.

Als weggeven prestige oplevert, zijn we op de goede weg. Maar dan niet zuinigjes met een paar procenten van het inkomen. Uit vermogen moet het komen. Het moet veel zijn, zoals bij Bill Gates en Warren Buffett, en het moet van invloed zijn op de pikorde. Je telt pas mee als je een groot bedrag hebt gegeven aan een in het oog springend doel en je daar ook actief mee bemoeit. Desnoods beleen je er het tafelzilver voor, zoals de Habsburgers, maar niet meedoen is geen optie, dan lig je eruit. Als Huibregtsen het over inspireren heeft, dan is dit de gevoelige snaar. Geen padvin-dersgevoel maar status.

Er is vast een slim pr-bureau dat daar een programma voor weet op te tuigen. Desnoods sturen ze Hennie Huisman met een cameraploeg langs de voordeuren van een paar Gooise postcodes. Alleen, helaas voor de Heusdense mevrouw, met rust gelaten worden is er niet bij. We zijn wie we zijn in vergelijking met anderen.