Naakte heidenen

De familie De Bry, graveurs en uitgevers, bundelde rond 1600 reisverslagen over pas ontdekte gebieden. Hun ingrepen in beeld en tekst waren louter commercieel geïnspireerd.

Dirk Vlasblom

De gravures duiken nog regelmatig op in allerlei plaatwerk, vaak zonder vermelding van de makers. Het bekendst is de prent van Columbus’ landing op Hispaniola in 1492, die een eeuw later is gemaakt. De zeevaarder wordt onthaald door halfnaakte wilden die hem gouden voorwerpen aanbieden, terwijl twee schepelingen een kruis oprichten op het strand. Bekend zijn ook de beelden van Spaanse soldaten die inhakken op inheemse bewoners van de Nieuwe Wereld.

Deze prenten zijn het werk van de familie De Bry: vader Theodoor, zijn zoon Johan Theodoor en diens schoonzoon Matthaeus Merian. De De Bry’s, goudsmeden en graveurs uit de zuidelijke Nederlanden, vestigden zich in 1588 als uitgevers in Frankfurt. Sinds 1590 publiceerden ze twee reeksen reisverhalen: India Occidentalis (over Amerika) en India Orientalis (over Afrika en Azië), samen 50 reisverslagen in 25 delen. Ze maakten twee edities: in het Duits en het Latijn. Deze reiscollectie, die tot 1634 is aangevuld en herdrukt, bevat bijna zeshonderd kopergravures. Die verhalen en die platen, bewerkt, aangepast en dikwijls bedacht door de De Bry’s zelf, hebben zeker een halve eeuw het Europese beeld bepaald van de pas ontdekte wereld overzee.

De historicus Michiel van Groesen, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde in april op het proefschrift The De Bry collection of voyages (1590-1634). Editorial strategy and the representations of the overseas world. In een gesprek na de promotie vertelt Van Groesen wat hem dreef: “Veel historici beschouwen de reiscollectie De Bry als protestantse propaganda. De De Bry’s waren immers calvinisten. De eerste delen, die gaan over de Nieuwe Wereld, bevatten reisverhalen van Britse protestanten, Franse Hugenoten en een Italiaan die van leer trok tegen Spaanse gewelddaden in Amerika. Ik wilde die hypothese – de reiscollectie als protestants project – toetsen. Het idee dat uitgevers in de vroegmoderne tijd alleen boeken uitgaven waarin ze zich ideologisch konden vinden, behoefde correctie, vond ik.”

De familie De Bry (spreek uit: De Brie) stamt uit Luik en is in de tweede helft van de zestiende eeuw regelmatig verhuisd: eerst naar Straatsburg, toen naar Antwerpen en Londen en uiteindelijk naar Frankfurt. Dat was destijds een grote internationale jaarmarkt, op een knooppunt van wegen tussen Noord- en Zuid-Europa.

Van Groesen: “Het eerste jaar van mijn onderzoek was vooral gewijd aan de De Bry’s zelf – hun levensloop en de uitgeverij. In Luik is niks meer te vinden, in Straatsburg heel weinig. In Frankfurt heb ik oude Zensurzettel bekeken om te zien voor welke boeken ze privileges aanvroegen bij de autoriteiten. Het belangrijkste biografische werk heb ik gedaan in Antwerpen. Die stad was tot 1585 calvinistisch en daar hebben de De Bry’s zich in de jaren 1578-1585 ontwikkeld van goudsmeden tot prentmakers. Dat was nog onbekend.”

Na dit voorwerk verdiepte Van Groesen zich in het paradepaardje van het De Bry-fonds, de reiscollectie, en ging hij op zoek naar een complete editie. “Die zijn heel zeldzaam. In Nederland zijn er exemplaren, onder meer in het Scheepvaartmuseum, in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek en in de Koninklijke Bibliotheek, maar die zijn niet compleet of de Duitse editie is niet voorhanden. Ik heb in de British Library in Londen gewerkt, omdat ik daar zowel de Duitse als de Latijnse versie open op tafel had liggen, nagenoeg compleet. Ook alle originele reisverslagen waren in druk beschikbaar. Het was de enige plaats waar ik vergelijkend onderzoek kon doen. En ik wilde juist vergelijken: tussen de oorspronkelijke verslagen en de bewerkingen van de De Bry’s en tussen de Duitse en Latijnse versies.”

actualiteit

De opbouw van de reeks begon met het selecteren van reisverhalen. Van Groesen: “De eerste delen zijn ‘Golden Oldies’: reisverslagen die al vaak waren gedrukt, zoals die van Hans Staden en Jean de Léry over Brazilië (1578) en de

De De Bry’s waren graveurs van beroep en hadden vooral oog voor het beeldmateriaal. Houtsneden werden vervangen door kopergravures en als prenten ontbraken, maakten de De Bry’s die zelf. Oorspronkelijke afbeeldingen werden ingrijpend veranderd. Zo ontstond een heel nieuw beeld: de overzeese wereld volgens De Bry. Van Groesen: “Dat beeld is niet altijd negatief, maar als ze bestaande prenten aanpassen, maken ze de personages stelselmatig minder beschaafd. De stok waarmee ze de hond slaan, is religie. Ze leggen sterk de nadruk op het heidendom van inheemse Amerikanen, Afrikanen en Aziaten: afgodsbeelden, polytheïsme en een duivelse iconografie. Duivels komen in het oorspronkelijke beeldmateriaal bijna niet voor; in de versie van de De Bry’s des te meer. Het beeld van de duivel is in de zestiende eeuw herkenbaar voor iedereen (bokkenpoten, hoorntjes, verwrongen trekken). Zo voegen ze het overzeese heidendom in het Europese wereldbeeld: Satan is immers verantwoordelijk voor alle afgoderij.”

Inheemsen worden in de collectie vaak naakt afgebeeld, ook als het reisverslag daartoe geen aanleiding geeft. “Naaktheid”, zegt van Groesen, “staat voor onbeschaafdheid en de De Bry’s zetten die naaktheid op verschillende manieren aan. Soms worden Afrikanen op hun prenten letterlijk uitgekleed. Waar ze op de oorspronkelijke houtsneden nog kleren dragen, halen de De Bry’s die weg. Als er in de tekst niets gezegd wordt over hoe men zich placht te kleden in bepaalde streken gaan de De Bry’s er zonder enige aanleiding vanuit dat de bewoners naakt zijn. Volken die hoog in de Andes leefden, van wie we kunnen aannemen dat ze daar niet naakt rondliepen, worden bloot afgebeeld. Wanneer in de originele tekst wordt gesuggereerd dat ze zich kleedden met lamawol, worden die zinnen weggelaten.”

De De Bry’s dossen inheemsen graag uit met veren, attributen die ze tegenkwamen in verhalen over Noord-Amerika. “Veel reisverslagen waren niet geïllustreerd. Het was heel gebruikelijk in de zestiende eeuw om bestaande plaatjes aan te passen om onbekende volken een gezicht te geven. De De Bry’s gebruikten indianen uit de Nieuwe Wereld als prototype. Veren werden, net als naaktheid, zo sterk geassocieerd met een niet-Europese identiteit dat de De Bry’s die hanteerden als kenmerken van volken waarvan geen beeldmateriaal bestond.”

Op de gravures van de De Bry’s nemen inheemsen en Europeanen steevast verschillende poses aan. De eersten maken wilde gebaren en hun ruggen zijn gekromd; de laatsten staan rechtop in een waardige Renaissancehouding. “De De Bry’s hebben systematisch het contrast aangezet tussen Europeanen en bewoners van de niet-westerse wereld. Ze werden naast elkaar gezet om te laten zien hoe groot het verschil in beschaving was, zowel door kleding als pose. Een mooi voorbeeld is een Hottentot die de ingewanden van een os eet. Op de oorspronkelijke afbeelding staat hij rechtop, bij De Bry verslindt hij kronkelend van genot de runderdarmen.”

Op de teksten van reisverslagen lieten de De Bry’s verschillende redactionele technieken los: toevoegingen, weglatingen, nadruk door cursivering en aanpassing van de volgorde. In bijschriften bij illustraties en in voor- en nawoorden worden steeds de gruwelijkste elementen uit de verhalen naar voren gehaald.

kookpot

Een onbeschaafd verschijnsel dat stevig in de verf wordt gezet, is kannibalisme. Dat lokaliseren de De Bry’s ook waar niemand het heeft aangetroffen. Van Groesen: “Kannibalisme wordt in de zestiende eeuw vooral geassocieerd met Brazilië en bepaalde streken in Afrika. Reizigers rapporteren er ook over als het zelf niet hebben gezien en bestendigen zo de mythe. Wat de De Bry’s doen, is het verschijnsel spectaculairder maken. Op de oorspronkelijke houtsneden moet je goed kijken om kannibalisme te zien, maar op de gravures wordt op ledematen gekauwd en verdwijnen hoofden in de kookpot. Net zoals de De Bry’s veren en naaktheid van de ene naar de andere regio verplaatsen, zien we ook in Azië kannibalisme opduiken. In een verslag dat wordt toegeschreven aan Amerigo Vespucci komen kannibalen voor. Het gaat waarschijnlijk over Brazilië, maar Vespucci besefte niet dat hij op die kust was geland en repte van Aziatisch kannibalisme. Zo’n 120 jaar later hebben de De Bry’s dit misverstand niet rechtgezet.”

Hoewel de De Bry’s de bewoners van de Nieuwe Wereld en Afrika nogal stereotiep uitbeelden – naakt, onbeheerst en heidens – brengen ze wel een zekere hiërarchie aan. “Zestiende-eeuwse Europeanen wisten wel dat je in Azië een ander beschavingsniveau aantrof dan in Amerika en Afrika. Spanjaarden konden grote gebieden in de Nieuwe Wereld koloniseren omdat de bevolking hen weinig in de weg legde of door ziektes was gedecimeerd. Dat was in Azië niet mogelijk, wist men in Europa. Daar moest je onderhandelen en je nederig gedragen tegenover machthebbers om er economische doelen te verwezenlijken. Ook in de collectie De Bry wordt gedifferentieerd, maar minder dan in de oorspronkelijke reisverslagen. Jan Huygen van Linschoten is in zijn Itinerario (1595) heel positief over Chinezen. Dat gunstige beeld wordt door De Bry’s geretoucheerd. Zo leggen zij er de nadruk op dat de Chinezen afgodsdienaren waren.”

De De Bry’s schilderen de overzeese wereld als een niet-beschaafde en daarmee niet-Europese wereld. Een wereld waar het christendom geen ingang heeft gevonden. Van Groesen: “Dat christendom was in Europa in de problemen nadat door de Reformatie een scheiding der geesten was opgetreden tussen protestanten en katholieken. De De Bry’s hebben de overzeese wereld vooral willen neerzetten als heidens om de waarde van het christendom, een door Europeanen gedeelde religie, zichtbaar te maken. Heidendom kon je overal in Europa verkopen, want daarover waren de verschillende denominaties het eens.”

De afwijkingen tussen de Duitse en Latijnse edities van de collectie laten zien dat de De Bry’s oog hadden voor de confessionele verschillen in Europa. Terwijl het beeldmateriaal in alle edities hetzelfde is – het was te duur om afzonderlijke koperplaten te maken en nieuwe composities te ontwerpen – wordt in de tekst het beeld van overzeese onbeschaafdheid aangepast al naargelang de verschillende verwachtingen in Europa. In de Latijnse editie zijn de scherpe protestantse kantjes van sommige reisverslagen afgevijld en ontbreken soms tientallen pagina’s. Zo werden ze geschikt gemaakt voor een geleerd lezerspubliek dat niet geïnteresseerd was in religieuze twisten. En ook voor een katholiek publiek dat niet lastig gevallen wenste te worden met protestantse ontboezemingen. Daarom is het beeld van de De Bry’s als protestantse propagandisten niet vol te houden. Waar mogelijk hebben ze eigen opvattingen over de overzeese wereld een plaats gegeven, maar als dit conflicteerde met hun verkoopstrategie hadden commerciële motieven de overhand.”

invloed

Het beeld dat de De Bry’s schilderden van de overzeese wereld had volgens Van Groesen een tijdlang gezag. “Dat geldt zeker voor het prentwerk, want dat komt voortdurend terug in andere zeventiende-eeuwse reisverslagen. Was er in de zestiende eeuw nog sprake van verwondering over ‘de ander’, rond 1600 wordt, ook onder invloed van geopolitieke overwegingen van de Europese machten, het beeld van niet-Europeanen negatiever. Verwondering maakt plaats voor normatieve duiding. Of de De Bry’s hiervan oorzaak of gevolg zijn, is moeilijk te achterhalen. Ze sloten in elk geval doelbewust aan bij heersende verwachtingen over hoe de overzeese wereld eruit zag.”

In de loop van de zeventiende eeuw boet de collectie-De Bry in aan gezag. Van Groesen: “De ontwikkelingen in de overzeese expansie gaan dan razendsnel. Na 1650 wordt ‘De Bry’ vooral verzamelobject. Men hecht dan niet zoveel belang meer aan die oude reisverslagen, want men heeft intussen veel preciezere ervaringen. Als de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) diplomatieke bezoeken gaat afleggen aan de Groot-Moghul in Noord-India of aan de sultan van Ternate, krijgen die rechtstreekse contacten de overhand over vroege zeventiende-eeuwse verslagen. Het onchristelijke karakter van deze volken wordt dan ook minder belangrijk, want er gaan andere overwegingen gelden: winst en behoud van de eigen positie ten opzichte van concurrenten in vreemde wateren.”

Eind 2007 verschijnt bij uitgeverij Brill in Leiden een handelseditie van dit proefschrift.