Klimaat op een koopje

Klimaatopwarming is in te perken. Dat kost miljarden, maar het klimaatpanel IPCC bekijkt het van de zonnige kant. Een kosten-batenanalyse ontbreekt nog. Karel Knip

Drie procent inkomstenderving voor de wereldburger in 2030: dat is de prijs die hij betaalt om met een fiftyfifty kans op succes de klimaatopwarming tot een graad of twee beperkt te houden. Anders gezegd: vanaf nu nog geen 0,1 procent inkomstenverlies per jaar. Met dat nieuws kwam de derde werkgroep van het klimaatpanel IPCC vorige week naar buiten.

In een zesjaarlijkse cyclus analyseren drie werkgroepen van het VN-orgaan voor klimaatverandering IPCC de broeikasproblematiek. Werkgroep I neemt de fysica en chemie van meteorologie en klimatologie voor zijn rekening. Werkgroep II brengt de gevolgen voor voedsel- en drinkwatervoorziening en voor de natuur in kaart. Werkgroep III bestaat uit economen, technologen en scenarioschrijvers. Zij rondden vorige week de samenvatting van hun studie af. Wil de mensheid een kans van zo’n vijftig procent hebben dat de opwarming de komende anderhalve eeuw beperkt blijft tot maar twee graden dan moet hij rekening houden met een reductie van het (overigens gestaag stijgende) bruto mondiaal product van zo’n 0,1 procent per jaar. Zeker tot aan 2030. Het bruto mondiaal product is de som van alle bruto nationale producten, de maat waartegen veel economische ontwikkelingen worden afgezet.

De getallen waren overzichtelijk genoeg, maar ze gaven geen antwoord op de klemmende vraag: is dit nu veel of weinig? Valt het mee of tegen? Kwam de Stern Review laatst niet uit op een hele procent reductie op jaarbasis van het bruto mondiaal product om de uitstoot van broeikasgas beperkt te houden?

Je kunt het net zo makkelijk veel als weinig noemen, zegt onderzoeker Detlef van Vuuren van het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) in Bilthoven. Het MNP was betrokken bij de leiding over de studie van werkgroep III en Van Vuuren was co-auteur van het rapport. “In absolute zin gaat het om heel veel miljarden, maar als je het in procenten op jaarbasis uitdrukt valt het wel te overzien. Misschien heeft het IPCC defaitisme willen voorkomen. We hebben als auteurs in elk geval de haalbaarheid van CO2-beleid willen laten zien.”

scenario

“Maar vijftig procent zekerheid is niet zo‘n grote zekerheid. Wil je meer zekerheid dan is een zwaardere inspanning nodig. Vergeet verder niet dat je dus een opwarming van twee graden accepteert. De mogelijke kosten die dat meebrengt zijn niet in de inkomstenderving opgenomen.”

De exercitie waaraan werkgroep III zich heeft gewaagd is voor de buitenstaander lastig te doorgronden. Hij vereist de koppeling van een verbazende hoeveelheid onzekerheden. Aan het begin ervan staan de zogenoemde SRES-scenario’s. Dat zijn verwachtingen over de komende uitstoot van gassen als CO2, methaan en lachgas (de voornaamste broeikasgassen) tot aan het jaar 2100 waarin niet met noemenswaardig broeikasbeleid rekening wordt gehouden. Ooit is het IPCC begonnen met maar één scenario, nu zijn er wel veertig. In praktijk worden er meestal maar zes gebruikt. Ze hebben de aanduidingen A1, A2, B1 en B2. Het scenario A1 is opgesplitst in weer drie aparte scenario’s.

Bij elk scenario hoort een storyline: een verwachting over het reilen en zeilen van ‘de wereld’ tot aan 2100. De wereld kan zich richten op intense economische groei of juist op milieubeheer en duurzaamheid, op mondiale samenwerking of een meer lokale oriëntatie, op technologische vernieuwing of juist niet, enzovoort. Het is noodgedwongen natte vingerwerk, en het beste wat ervan te zeggen valt is dat de extremen er waarschijnlijk ook in voorkomen: het ongunstigste en het gunstigste. Wat niet wil zeggen dat het waarschijnlijkste scenario daar midden tussen ligt. Van Vuuren zelf denkt dat B2 misschien een waarschijnlijk middenscenario is. Formeel: een wereld waarin de nadruk ligt op lokale oplossingen voor economische en sociale problemen en duurzaamheid. En waarin de bevolking gestaag groeit, maar waar economische ontwikkeling en technologische verandering in een gematigd tempo gaan.

Soit. Voor wat het waard is worden de verwachte emissies aan broeikasgassen ingevoerd in een waaier aan klimaatmodellen die elk afzonderlijk ook nog tamelijk ver van bewezen waarheden staan. Een klimaatmodel klopt tot wordt aangetoond dat het niet klopt. De klimaatmodellen berekenen veranderingen in temperaturen en neerslag en met weer andere modellen (die werkgroep II beoordeelt) wordt nagegaan wat zulke veranderingen voor gevolgen hebben voor voedsel- en drinkwatervoorziening, de kusterosie, de natuur en de kans op ziekten. Men overziet het veld en kiest een temperatuurstijging die acceptabel lijkt. Het is geen harde objectieve wetenschap, beaamt Van Vuuren, er zit altijd een politiek element in. “Wat is acceptabel?” Maar al in 1989 kwam het RIVM tot de zogenoemde twee graden doelstelling: de huidige opwarming zou beperkt moeten blijven tot twee graden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk.

twee graden

Vervolgens gaat het in omgekeerde richting. Uitgaande van de geaccepteerde twee graden doelstelling kan worden nagegaan hoe de uitstoot en concentraties van broeikasgassen zich in de komende decennia mag ontwikkelen. Maar er zijn die zojuist aangegeven grote onzekerheden. Het IPCC ontkomt niet aan de taak oplossingen met verschillende kansen op succes uit te werken. In dat verband zijn drie stabilisatieniveaus voor de gezamenlijke concentraties van CO

Nu gaan de economen en technologen aan de gang. Per sector (bouw, transport, industrie, elektriciteitscentrales, etc.) schatten zij hoe groot daar het ‘economisch potentieel’ aan reductiemogelijkheden is. Er wordt berekend wat er bij normaal economisch handelen aan reducties haalbaar is als de uitgestoten hoeveelheid CO2 een bepaalde prijs krijgt. Daarvoor worden ook weer verschillende aannames gedaan.

Interessant genoeg levert dit op het oog zo vrijblijvende werk toch heel nuttige gegevens op. Het blijkt dat er in de bouw het grootste economisch potentieel voor emissievermindering is. Direct daarna komen de centrales en de landbouw. Nog aardiger is dat er nog veel emissiebeperking mogelijk is die geld oplevert zonder dat de CO2 een prijs heeft gekregen, bijvoorbeeld omdat er energiebesparing aan ten grondslag ligt. Er zijn dus nog allerlei broeikasmaatregelen mogelijk die onder ‘no regret’-beleid vallen. Het probleem is natuurlijk dat er, afhankelijk van de CO2-prijs en het scenario dat zich in werkelijkheid ontwikkelt, ook tientallen procenten emissiereductie extra nodig zijn om binnen het twee graden doel te blijven. Vooral zij tasten het BNP aan.

baten

De niet-econoom heeft tegen de beschouwingen weinig weerwerk. Hooguit dit: hij is gewend dat economen toch op zijn minst met een kosten-baten analyse komen. Je zou toch willen weten hoezeer het BNP wordt gereduceerd als je niet kiest voor emissie-beperking maar gewoon voor het opvangen van de klimaatverandering. Voor redderen en aanpassen. Is die berekening er ook? Nee, zegt Van Vuuren, daar heeft het IPCC zich niet aan gewaagd, het is te onoverzichtelijk. Maar de Stern Review leeft laatst wel een schatting gemaakt en daaruit bleek dat de kosten van niets-doen veel hoger zijn.