‘Juf, ze moeten Bush vermoorden’

Moet een leraar met een moslimleerling in discussie gaan over westerse waarden en normen? Een rondetafelgesprek over opvoeding, homohaat en xenofobie op zwarte scholen. „We zijn amateurs als het gaat om de multiculturele samenleving.”

Een interview in het Zaterdags Bijvoegsel met Jan Obbeek, voormalig leraar aan het Montessori College Oost, een zwarte school in Amsterdam, maakte eind vorig jaar veel reacties los. Obbeek vertelde over de agressieve houding van – vooral – de jongens, het seksisme, het anti-semitisme en de homohaat waar hij in discussies met zijn leerlingen dagelijks tegen opbokste. Na zes jaar gaf Obbeek het op en vertrok naar een witte school. Hij kreeg bijval van collega’s die het ook niet meer zagen zitten met de allochtone pubers. Zij herkenden de ‘haat en ellende’ en het gebrek aan mogelijkheden van de leraar om daar iets aan te veranderen. Anderen hadden juist scherpe kritiek op Obbeek, ze vonden hem veel te negatief of ze verweten hem zelfingenomenheid en een gebrek aan respect voor andere waarden.

De discussie riep allerlei vragen op: is het wel de taak van de leraar om met moslimleerlingen gesprekken aan te gaan over gevoelige maatschappelijke onderwerpen, kan hij zich niet beter louter richten op kennisoverdracht? In hoeverre heeft de school überhaupt een opvoedingstaak? Waarom geven sommige leraren jarenlang met groot enthousiasme les op een zwarte school en lopen anderen er gillend weg? Twee leraren, een wethouder en een publicist pogen antwoorden te vinden in een gezamenlijk gesprek. Kamerlid Tofik Dibi (GroenLinks) moest op het laatste moment afzeggen omdat de zitting van de Tweede Kamer onverhoopt uitliep. Zijn commentaar staat elders op deze pagina.

Moet een leraar op een zwarte school zijn leerlingen zoveel mogelijk kennis bijbrengen of moet hij ook opvoeden?

Martien Schreurs: „Mijn vak, geschiedenis en maatschappijleer, is niet los te koppelen van opvoeding. Je probeert de leerlingen bewust te maken van hun geschiedenis en ze op te leiden tot kritische burgers. Het opvoedingsideaal is dus inherent aan het kennisdoel dat je stelt.”

Leonard Geluk: „Dat geldt denk ik voor het onderwijs in het algemeen. Opvoeden zit in je pedagogische opdracht. Je kan je niet beperken tot de sommetjes en de d’s en t’s, er is veel meer nodig.”

Margalith Kleijwegt: „En het geldt voor zwarte scholen in het bijzonder, want voor allochtone kinderen is de kloof tussen de maatschappij en thuis zo groot dat je er met alleen lesgeven niet komt. Veel leraren komen in verzet tegen die opvoedtaak, en dat begrijp ik best, want het is niet makkelijk. Alleen al om de leerlingen op tijd op school te krijgen. Want wat gebeurt er? Een leraar belt naar huis als een leerling te laat is. Zegt vader: ‘Ja, maar Mohammed is op tijd van huis gegaan en Allah weet dat hij niet liegt’. Daar zit je dan. Sodemieter op, denken veel leraren in zo’n geval.”

Trudy Coenen: „Het is waar, door de realiteit word je automatisch in de rol van opvoeder gedrukt. Ook ten aanzien van de ouders. Die laat ik aan het begin van het jaar naar school komen en dan vertel ik precies wat bij mij de regels zijn. Ze merken al gauw dat het me menens is, de eerste keer dat een kind vijf minuten te laat is, hang ik al met thuis aan de telefoon. Op die manier bouw ik een band op met de ouders. Ze weten dat ik hun kinderen scherp in de gaten houd, zodat ze ze aan mij durven meegeven op schoolreis naar het buitenland. Voor allochtone meisjes ligt dat vaak heel moeilijk. Ik ga ook – onaangekondigd – op huisbezoek bij al mijn mentorleerlingen. Ik ben als een strenge moeder voor de kinderen. Schuttingtaal, te laat komen, huiswerk vergeten, ik accepteer het niet. Tot de herfstvakantie houd ik ze altijd heel strak, totdat er een goed klimaat is om ook gesprekken te voeren met elkaar.”

Schreurs: „Op tijd leren komen en je boeken meenemen, dat is gewoon disciplinering. Opvoeden is veel meer. Dat is vooral: kinderen leren kritisch te reflecteren op de samenleving. Dat zou voor iedere school doelstelling nummer één moeten zijn.”

Coenen: „Dat vind ik, met alle respect, een elitair, wit standpunt. De ouders van mijn leerlingen zitten daar niet op te wachten. Die komen uit de woestijn, ze hadden niet te eten en willen dat hun kinderen het beter te krijgen. Daarvoor hebben ze een diploma nodig.”

Schreurs: „Mohammed B. heeft een havo-diploma, hij zat op het hbo. Maar hij was niet geïntegreerd. Een diploma alleen zegt me niks.”

Coenen: „Mij zegt het wel wat. Namelijk dat Mohammed B. zich ontworsteld heeft aan een milieu waar geen kranten zijn, geen internet, waar Al-Jazeera de hele dag aan staat. Ik vind dat een hele prestatie. Dat hij geradicaliseerd is, staat daar los van.”

Schreurs: „Ik blijf erbij dat scholen een visie zouden moeten ontwikkelen op waar we met de kinderen naar toe willen. Vakken als burgerschapsvorming en maatschappijleer stellen helemaal niets voor nu, er zou veel meer gewicht aan toegekend moeten worden. Hoe nodig dat is, zie je aan de enorme vooroordelen die er heersen tegenover andere culturen, zowel aan allochtone als aan autochtone zijde. Ik houd mijn hart vast voor als er in Nederland een terroristische aanslag komt, we zijn zó xenofoob.”

Opvoeden hoort er blijkbaar bij. Maar hoe ver ga je? Moet een leraar zijn moslimleerlingen onze waarden en normen bijbrengen en met ze in discussie gaan als ze discriminerende uitspraken doen?

Geluk: „We kunnen als samenleving niet accepteren dat er groepen zijn die vinden dat vrouwen een mindere positie hebben dan mannen of dat homoseksuelen een mindere positie hebben dan heteroseksuelen. Ik vind dat het onderwijs moet staan voor de centrale waarden in onze samenleving. Op Rotterdamse scholen neemt de acceptatie van homoseksualiteit af. Tachtig procent van de Turkse en Marokkaanse jongeren zegt dat ze geen homoseksueel als vriend willen hebben. We doen ons best om daar met de scholen samen wat aan te doen. Maar het is een hele klus om opinies te wijzigen.”

Kleijwegt: „En wat doe je met thuis? Want daar komen de opvattingen van die jongens en meisjes natuurlijk vandaan.”

Geluk: „Dat is inderdaad het probleem waar alles om draait. De vraag die in al dit soort discussies terugkomt, is: wat is de taak van de school en wat is een zaak van de ouders. Als er niet over seksualiteit gepraat wordt, als kinderen zonder ontbijt naar school gaan en geen grenzen opgelegd krijgen, heb je daar op school last van. Toch kun je niet al die taken van de ouders overnemen. Dat is de reden dat wij als gemeente Rotterdam de discussie willen aangaan, met ouders, leerkrachten, jeugdzorg en andere deskundigen. De vorm die we gekozen hebben is ontleend aan de islamdebatten: grootschalige, openbare stadsdebatten. Daarnaast zijn er bijeenkomsten in kleiner comité, per wijk en per doelgroep. De bedoeling is dat daar concrete ideeën uit voortkomen hoe je van ouders betere opvoeders kunt maken.”

Coenen: „Maar daarmee verander je nog geen ideeën. Ik heb niet de illusie dat ik de zienswijzen van mijn leerlingen kan veranderen. Het enige wat ik kan doen is mijn visie daar tegenover stellen en ze inprenten dat homo’s en vrouwen voor de Nederlandse wet gelijk zijn. Soms ga ik in op wat ze zeggen, maar niet altijd. Als een leerling zegt ‘ze moeten Bush vermoorden, net als Saddam Hussein, zeg ik: ‘Ja hoor, schat. Maar nu even niet.’ We hebben wel, nadat een paar jaar geleden op 4 mei in Amsterdam-West Marokkaanse jongens met grafkransen hadden gegooid, meegedaan aan een anti-racisme-project. Er is een Holocaustoverlevende bij ons op school geweest, en we hebben zelfs een bezoek aan Auschwitz gebracht.”

Schreurs: „Dat zijn prachtige dingen! Veel scholen gaan de discussie over delicate thema’s uit de weg. Toen de oorlog in Irak uitbrak, kregen alle docenten bij mij op school een brief van de directie dat we het onderwerp moesten mijden in de klas, omdat het te gevoelig lag. De directie was bang dat er gescholden zou worden en dat er incorrecte dingen werden gezegd. Sommige collega’s lachten om die brief, anderen waren sowieso niet van plan om erover te praten. Maar voor mij als leraar maatschappijleer zijn dat nu juist de mooiste onderwerpen om met leerlingen over te discussiëren. Laat ze maar schelden – tenminste zolang het op Bush is en niet op elkaar – laat ze maar op de tafels staan schreeuwen en hun onvrede uiten. Mijn pleidooi is: schelden is het voorportaal van de redelijkheid, het kan het begin van een dialoog zijn. Maar directies willen onder alle omstandigheden de rust bewaren, dat vind ik heel jammer. Het is onwennigheid, we zijn amateurs als het gaat om de multiculturele samenleving.”

Geluk: „Dat vind ik wel een mooi beeld, dat we amateurs zijn, dat we als samenleving op zoek zijn. Over issues als homoseksualiteit en de gelijkheid van man en vrouw is heel lang niet gepraat met de allochtone gemeenschap, nu willen we die dingen wél op de agenda. Maar niemand weet nog precies hoe je dat nu op een goede manier doet, en wie daar de verantwoordelijkheid in heeft. Ik vind dit daarom wel een heel spannende tijd.”

Kleijwegt: „Spannend, maar ook ingewikkeld. De twee leraren hier aan tafel zijn uitzonderingen, vermoed ik. De meesten, vooral de ouderen, vinden het moeilijk om met die afwijkende denkbeelden van hun leerlingen om te gaan. Ze willen het liefst rust in de klas, dat vind ik begrijpelijk. Ik vind dat schooldirecties erover zouden moeten nadenken hoe je dit probleem aanpakt, hoe ze de leraren kunnen ondersteunen, maar dat doen ze niet, ze schuiven het weg.”

Schreurs: „Zo ingewikkeld is het nu ook weer niet. Het heeft tijd nodig, dat wel. De interculturele dialoog is nog nooit echt van de grond gekomen. Ik probeer altijd te zoeken naar gemeenschappelijkheid, met een beroep op de gezamenlijke humanistische waarden en het vermogen tot redelijkheid en dialoog dat naar mijn idee in ieder mens zit.”

Geluk: „Ik vind dit wel erg relativistisch. Zo van: iedereen heeft zijn eigen waardenpatroon en het is allemaal goed. Zelf geloof ik dat je als school en als samenleving tot taak hebt te staan voor de waarden die je belangrijk vindt. Ons probleem is dat we dat veel te weinig hebben gedaan. Gelijkheid en rechtvaardigheid zijn dragende principes in onze christelijk-humanistische traditie. Met alle goede dingen die de multiculturele samenleving ons gebracht heeft, zijn er juist op die punten waarden binnengekomen die daarmee conflicteren.”

Schreurs: „Dat Oost-West-debat vind ik totaal zinloos. Het kosmo-politieke ideaal van het wereldburgerschap is volgens mij de enige manier waarop je andere culturen kunt bereiken. Ga niet uit van de verschillen, maar van de overeenkomsten. En die zijn er genoeg, alleen kennen veel moslims hun eigen traditie niet goed. Ze nemen de Koran letterlijk, terwijl die vele keren herschreven is en de neerslag is van discussies die tóen leefden. Op het Hervormd Lyceum West heb ik met moslimleerlingen gediscussieerd over Salman Rushdie. ‘Die moet dood’, riepen ze. Ik heb ze uitgelegd dat zijn boek De Duivelsverzen verkeerd geïnterpreteerd is en dat de ayatollahs dat in hun eigen belang gebruikt hebben. Of ze het van me aannamen weet ik niet, maar ze luisterden in elk geval wel.”

Geluk: „Ik denk dat we hetzelfde doel hebben, maar jouw methode is anders. Jij zegt eigenlijk: ‘Jullie denken hetzelfde als wij, alleen weten jullie het nog niet’. Sommigen zullen zeggen: ‘Wie ben jij om ons onze cultuur uit te leggen?’”

Veel docenten op zwarte scholen haken af. Heb je een speciaal soort leraren nodig? Een speciale pedagogische aanpak?

Coenen: „Wat een onzin! Kinderen zijn kinderen. Ja, ze hebben vaak wat minder zelfvertrouwen dus je moet ze positief benaderen en hun talenten benadrukken. Maar verder zijn het heel gewone pubers.”

Kleijwegt: „Je kunt niet doen alsof er geen problemen zijn op die zwarte scholen in de achterstandswijken. We hadden gehoopt dat het met de tweede en derde generatie makkelijker zou worden, maar dat is niet zo. Er gebeuren veel nare dingen. Laatst weer die basisschool in Amersfoort, waar jongens van tien meisjes aanranden. Ik vind leraren de helden van deze tijd. Ze zouden om te beginnen beter betaald moeten krijgen, zeker op zwarte scholen.”

Geluk: „Dat ben ik met je eens. Op scholen in achterstandswijken heb je toppers nodig. Daar wil je de beste mensen voor de klas en die mogen wat mij betreft ook het best betaald krijgen.”

Coenen: „Daar ben ik helemaal voor. Ik ontken ook niet dat er moeilijkheden zijn. Bij ons wordt er ook gespijbeld, er zijn heel veel sociaal-emotionele problemen, er wordt gevochten op het schoolplein, de nepvlechten vliegen je soms om de oren. Maar ik zie vooral de leuke, lieve, hartelijke kant van de kinderen. Ik hou echt van ze, ik wil dat ze kansen krijgen en daarom pak ik ze streng aan.”

Schreurs: „Ik ben daar niet op gebouwd. Je moet heel alert zijn om het op zo’n school te kunnen redden. Streetwise. Je moet ze altijd een slag voor zijn. Het is echt topsport. Jij bent het type leraar dat door de directie met rust wordt gelaten, een routinier bij wie het allemaal op rolletjes loopt. Zelf had ik ordeproblemen toen ik als jonge, beginnende docent kwam werken op het Hervormd Lyceum West. Maar ik zag het niet zitten om die volgens hun repressieve methodes op te lossen. In de zomervakantie kregen alle nieuwe leraren een coachingsprogramma. Dat was een soort politietraining waarin je leerde hoe je de leerlingen onder de duim hield. Ik kon het bijna niet geloven, ik was een enthousiaste nieuwe docent en wilde leuk met die kinderen omgaan, niet de bikkel uithangen. Als ik me als leraar op een witte school zo zou gedragen, zou ik totaal stuklopen. Toch werd die aanpak niet benoemd als een cultuurverschil, terwijl je aan alle kanten voelde dat het wel zo was.”

Kleijwegt: „Het tekent de onmacht.”

Schreurs: „Nog zoiets: als je ouders belde omdat het niet zo goed ging met hun kind, moest je een eenzijdig negatieve boodschap afgeven, zo kreeg je van collega’s te horen. Anders begrepen ze het niet. Je mocht dus niet zeggen wat er wél goed ging met de leerling. Informeel en indirect werd er ook van geprofiteerd dat er thuis lijfstraffen gegeven werden. Als een vader zei dat de leraren zijn onhandelbare zoon maar flink moesten schoppen en slaan, zei de schoolleiding: ‘Nee, dat moet u zelf doen’. Zoiets zou ondenkbaar zijn op een witte school. Ik heb ook heel vaak gezien dat leraren individuele leerlingen uitscholden, om ze als het ware te overmeesteren, klein te maken. ‘Klootzak’, ‘lamzak’, het was heel normaal om dat tegen leerlingen te zeggen.”