Hoe vrouwelijk mag een politica zijn? Moeder de vrouw wordt zeker geen president

Waarom de Amerikaanse presidentskandidate Hillary Clinton ervoor oppast haar vrouwelijkheid in de strijd te werpen. Sanderijn Cels over ‘vrouwelijk’ politiek bedrijven.

‘Ik zie niet in waarom ik op een man zou moeten lijken om serieus genomen te worden”, zei Ségolène Royal eens met een gracieuze glimlach. De Franse presidentskandidate gooide tijdens de afgelopen campagne zelfs graag haar vrouwelijkheid in de strijd: ze sprak ‘als moeder’ tot de natie en oreerde over ‘onze kinderen’ die haar zo aan het hart gaan. Als het land een vrouw zou kiezen, zou dat aangeven hoezeer het snakt naar verandering, beweerde ze. Haar ‘presidentiële statuur’ deed dat geen goed, bleek al in de peilingen. En afgelopen week werd duidelijk: Frankrijk wil geen verandering. Het koos een man, Nicolas Sarkozy, als president.

In de VS staat de verkiezingskaravaan van Hillary Clinton voor het presidentschap in de startblokken. Clinton is echter al gepokt en gemazeld in het campagne voeren – en succesvol ook: als First Lady aan de zijde van Bill en op eigen houtje voor het senatorschap van de staat New York. In hoeverre volgt zij het voorbeeld van Royal? Gooit ze ook haar vrouwelijkheid in de strijd of past Clinton zich aan de Amerikaanse spierballentraditie aan – die van de grote jongens die tot nu toe de dienst hebben uitgemaakt?

het persoonlijke is politiek

Wie zich typisch vrouwelijk wil presenteren, kiest voor een persoonlijke benadering: je één tonen met de mensen voor wie je spreekt, ook gewone mensen als gelijken behandelen en deelgenoot zijn van hun ervaringen door niet alleen met inleving anekdotes uit hun leven te vertellen, maar ook uit dat van jou zelf. Het persoonlijke is immers politiek. In Clintons geval valt dat nogal tegen. De eerste twee elementen worden door elke Amerikaanse politicus grif ingezet, in navolging van Ronald Reagan die de gewone Amerikaan – de everyday hero – constant in zijn speeches aan bod liet komen. Clinton vormt hierop geen uitzondering. Maar het laatste, zelf verhalen vertellen over je privéleven, is voor haar uit den boze. Haar zal je nooit horen uitwijden over haar eigen beslommeringen in relatie tot het beleid dat ze voorstaat. Dat staat opgetekend in haar autobiografie en daar laat ze het bij. Punt uit. Hooguit noemt ze haar man in zinsneden als ‘daar spraken Bill en ik laatst nog samen over’, omdat ze weet dat hij populair is en zij daardoor beter uit de verf komt. Tijdens haar eerste campagne voor het senatorschap van New York dook zijn naam in meer dan negentig procent van haar grote speeches op.

Overigens was Bill toen hij president was wel scheutig op dit gebied: hij lepelde zonder terughoudendheid roerende momenten op uit zijn leven om het publiek voor politieke plannen te winnen. Zo zei hij bijvoorbeeld bij zijn initiatieven voor de gezondheidszorg met hese stem: ‘Ik herinner me dat, omdat mijn moeder een verpleegster-anesthesist was, oudere mensen zonder verzekering naar ons huis kwamen en aanboden om haar gazon te maaien of haar een mand met perziken aanboden in ruil voor haar diensten.’ Maar het melodrama dat Bill wist te produceren, weet Hillary standvastig te vermijden.

compleet onzichtbaar

Is Clinton dan misschien bescheiden? Dat is immers ook eigen aan een typisch vrouwelijke presentatie: niet prat gaan op de eigen staat van dienst, maar de eer delen met anderen. In de tijd dat ze First Lady was, sprak Clinton nooit over haar verdiensten. Ze maakte zichzelf zelfs compleet onzichtbaar. In haar speeches gebruikte ze zelden het woord ‘ik’ op een autoritaire manier: je kon geen formuleringen als ‘ik wil’ of ‘ik vind’ uit haar mond optekenen, want dat was te eigengereid. Ze verving het door ‘wij’. Dat stond voor ‘wij Amerikanen’, of ‘u, het publiek, en ik’ en af en toe ging het om ‘de president en ik’. Maar sinds ze senator en presidentskandidaat is, is dat wel anders: ze noemt altijd wat er al op haar conto staat. Zoals bij de aankondiging van een wet in 2006: ‘Ik was er trots op om het Landelijk Programma Zorgverzekering voor Kinderen te helpen creëren tijdens de regering-Clinton en ik ben vandaag trots een andere belangrijke stap vooruit te zetten voor onze kinderen.’ Ze doet bovendien constant uitspraken als: ‘Dat is de reden dat ik een plan heb gelanceerd en gezegd heb: Dit is exact wat ík denk dat we zouden moeten doen.’

Presenteert Clinton dan wellicht haar argumenten op typisch feminiene wijze? Het gaat hier om het gebruik van inductief opgebouwde argumenten – concrete gevallen als basis nemen voor een algemene uitspraak. In Clintons geval gaat het om anekdotes over een mijnheer of mevrouw die iets is overkomen, om vervolgens aan te voeren dat het daarom nodig is een bepaalde wet in te voeren. Deze manier van bottom up redeneren is voor iedereen goed te volgen en het persoonlijke karakter ervan verhoogt de herkenbaarheid. Daar doet Clinton zeker aan, maar ze is nooit vies geweest van het inbrengen van cijfers en argumenten die afstandelijk aandoen. Toen ze het bijvoorbeeld eens over astma had, ging ze niet in op hoe naar die aandoening was, maar vertelde ze dat in 2004 astma ‘de VS meer dan 16 miljard dollar had gekost’ en dat er daarom iets moest gebeuren. Als First Lady maakte ze reeds gebruik van onderzoeken, statistieken en andere expertise. Ze schrikt dus niet terug van abstractie en grote ‘onpersoonlijke’ getallen.

iedereen wordt bedankt

Is er dan verder niets typisch feminien aan de stijl van Clinton? Jawel, er is een aspect waar ze wel raad mee weet: de vele bedankjes. Toen Clinton First Lady was, bedankte ze degenen die haar ontvingen, de mensen die hard hadden gewerkt aan een project of aan de ontvangst, de kinderen die zo’n leuk boeketje hadden gemaakt – iedereen die je maar kon bedenken kreeg een aardig woordje. Dat getuigde van bescheidenheid en vriendelijkheid. Dat bedanken doet Hillary nog steeds. Met dien verstande dat haar bedankjes nu overkomen alsof ze een heleboel vrienden heeft, overal waar ze komt. Aangezien ze tegenwoordig op veel plaatsen optreedt waar publieke figuren en Democratische partijbaronnen aanwezig zijn, zoals fundraising diners of partijbijeenkomsten, valt vooral hun de eer ten deel. Ze noemt iedereen met naam, toenaam én functie erbij, zodat het lijkt alsof ze heel veel belangrijke mensen kent. Dat doet het natuurlijk goed als je presidentskandidaat bent; daar zijn kiezers van onder de indruk. Het komt echter niet bescheiden meer over, het is eerder dikdoenerij.

Wie de proef op de som wil nemen, kan de optredens van Clinton rondom ‘vrouwen-issues’ onder de loep nemen, zoals gezinsproblematiek, kinderrechten en emancipatie. Ze spreekt dan meestal voor een publiek met veel vrouwen over kwesties die haar als moeder en echtgenote ook aangaan. Clinton betrekt juist in deze gevallen het onderwerp nooit op zichzelf. Niks over haar dochter, niks over haar zielenroerselen. Hooguit vertelt ze kort dat ze vroeger kinderadvocaat is geweest, dus dat ze weet waar ze het over heeft. Ze formuleert direct, assertief en komt naast anekdotes uit andermans levens ook steevast aan met onderzoeken, statistieken en beleidsoplossingen. Ze staat er dus niet bepaald als een ‘moeder’ bij.

Zo vrouwelijk presenteert Clinton zich dus niet. En dat is eigenlijk wel zo begrijpelijk. Als ze wel haar schild zou laten zakken, zou ze op veel kiezers zwak overkomen: als iemand die kwetsbaar en gevoelig is en haar hart eerder laat spreken dan haar verstand. Haar optredens zijn zo gestileerd dat haar imago als potentiële, capabele commander in chief niet wordt geschaad. Want ze weet dondersgoed: moeder de vrouw wordt in Amerika nu eenmaal geen president.

Sanderijn Cels is historica en auteur van het binnenkort te verschijnen boek ‘Dat hoort u mij niet zeggen’ over de presentaties van politici.