Groots, mooi, wreed: de natuur volgens Jan Wolkers

Schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers heeft een grote kennis van de natuur. Kester Freriks sprak hem over zijn nieuwe ‘Waddenboek’

„Hoe meer beschuit je at, des te meer leerde je over de natuur”. Ik vraag Jan Wolkers, woonachtig op het eiland Texel, waar zijn kennis van de natuur vandaan komt. Wolkers is een van de weinige schrijvers in Nederland voor wie de natuur meer is dan een naamloze vogel, een niet-gedetermineerde bloem of een anonieme boom. Maarten ‘t Hart heeft het al eens betoogd in Een havik onder Delft: specifieke kennis van de natuur ontberen de meeste auteurs. Dichters zijn geen ornithologen. Ze houden wel van vogelzang, maar een nachtegaal onderscheiden ze niet van een koolmees.

Jan Wolkers: „Bij elke rol beschuit in mijn jeugd zat een plaatje voor het Verkade-album. Ik was een verwoed verzamelaar en leerde elke keer meer. Bioloog Jac. P. Thijsse en die albums kunnen niet genoeg geprezen worden.” Ook leerde de jonge Wolkers veel van bioloog en schrijver Dick Hillenius. Wolkers: „In de tijd dat ik op het atelier werkte van Zadkine in Parijs ging ik vaak langs bij de Jardin des Plantes, waar Dick Hillenenius onderzoek deed naar kameleons. Die huiden van de dieren hingen daar als tabaksbladeren aan het plafond. Er is zelfs een ondersoort naar Hillenius genoemd. Kijk, dat is iets anders dan Bomans die als het schemer werd naar het café sloop om te gaan schaken.”

Rottumerplaat

In het pas verschenen Waddenboek zijn de publicaties van Wolkers over de natuur gebundeld. Hoogtepunt is zijn onovertroffen relaas van de week van 17 tot 24 juli 1971 toen Wolkers op de Rottumerplaat verbleef. Schrijver Godfried Bomans ging hem voor en deze beleefde daar een angstige tijd. Wolkers: „Bomans zou zelfs doodsbang worden van een vleermuis. Hij had slechte ogen, zijn brillenglazen waren dik als de bodem van een fles. Ik ontdekte vertrapte meeuwennesten. Bomans heeft die nesten niet eens gezien. Natuurlijk dat die meeuwen krijsten en tekeergingen tegen Bomans.”

Wolkers beschrijft in Groeten van Rottumerplaat de natuur als een grootse, ontstellend mooie, soms zelfs wrede en onvergetelijke gebeurtenis. Nu, bij herlezing, valt me op dat een scène even bizar is als meeslepend. Wolkers ontdekt op de zandplaat een dode zeehond met een flinke bolling van de buik. Hij vermoedt dat het vrouwtjesdier zwanger is. In een flits besluit hij de zeehond open te snijden, maar de werkelijke ingreep stelt hij een dag uit. Het wordt een obsessie: het dier spookt door zijn dromen, bezorgt hem nachtmerries.

Op maandag 19 juli schrijft hij: „Het is nu drie uur. Ik moet zo met het mes naar de dode zeehond toe, anders wordt het te laat”. En verderop: „Toen moest het gebeuren. Ik hief mijn vuist op en joeg met een slag het mes tot aan mijn hand naar binnen”. Wolkers bevrijdt uit de dode moeder het jonge, ongeboren dier dat nog helemaal gaaf is. De tranen liepen over Wolkers’ gezicht, hij vloekte hardop.

Deze hard verwoorde, dramatische scène is weergaloos omdat Wolkers nergens beschrijft waar die obsessie voor het opensnijden van de zeehond vandaan komt. Natuurlijk, je zou het symbolisch kunnen opvatten als het alsnog geboren laten worden van een dode zeehondbaby. Hoopte Wolkers soms dat het diertje nog zou leven? „Het moederdier zag er afschuwelijk uit”, antwoordt Wolkers. „Het leek wel aangeschoten want er zaten zwarte, diepe gaten in haar vel. Ik wilde het jong alsnog het licht brengen, toch iets van een geboorte dus”. Wolkers schrijft dat de ‘wieg’ van de baby zijn ‘doodskist’ was geworden.

Robinson Crusoe

Op dezelfde Rottumerplaat heeft Wolkers ook de gebroken poot van een scholekster gespalkt en genezen. Jan Wolkers en zijn vrouw Karina kwamen in 1970 op Texel terecht „in de tijd van Turks Fruit", zoals hij het formuleert. De scène met de zeehond is illustratief voor Wolkers’ unieke verhouding tot de natuur: hij is geen buitenstaander maar het is of hij zelf, daarginds op die verlaten zandplaat, onderdeel uitmaakt van de natuur. Hij is als Robinson Crusoe die een nieuw bestaan opbouwt in de verlatenheid die voor hem boordevol is met natuurverschijnselen als zonsondergangen, zeehonden, meeuwenjongen, visdiefjes, tureluurs, zeedistels, waaiend stuifzand. Wolkers ziet veel dood en tragedie om zich heen, ook een aanwijzing dat hij de natuur niet als een stadsmens romantiseert en idealiseert. Voor hem is de natuur nooit lieflijk, hij gebruikt geen verkleinwoorden. Hij vindt dode vogels op het strand die hij met eerbied begraaft, zoals doden in een Griekse tragedie altijd begraven moeten worden.

Het Waddenboek en Wolkers’ houding jegens de natuur zouden een voorbeeld moeten zijn voor iedereen. Eerbied en verwondering zijn de sleutelwoorden. Wolkers zegt het met geëmotioneerde stem: „Ik ben erg bezorgd om het verlies van het Nederlandse landschap, er gaat zoveel kapot, er wordt zoveel vernietigd”.

Ik kruis in het Waddenboek deze prachtige natuurscène aan: ‘Op plaatsen waar veel schelpen lagen was het droge zand weggeblazen zodat ze op een verhoginkje van afgesleten zandsteen leek het wel lagen. De Rocky Mountains in vogelvlucht.’ En nog altijd zijn we op Rottumerplaat, een stuk drooggevallen zand van slechts een luttele paar honderd meter in omtrek.

Jan Wolkers: Waddenboek. Uitg. De Bezige Bij. € 18,90