Griekse terreurgroep bedreigt politie

Nauwelijks is in Griekenland de terreurgroep ‘17de November’ uitgeschakeld, of een andere groep, de ‘Revolutionaire Strijd’ komt met dreigementen.

Het weekblad Pondiki (Muis) publiceerde deze week een proclamatie van zes bladzijden van de beweging ‘Revolutionaire Strijd’ die al sinds 2003 aanslagen op ministeries en politiebureaus pleegt.

Dit keer wordt rechtstreeks de oorlog verklaard aan de politie als geheel, als reactie op alle gewelddaden waaraan deze zich te buiten zou zijn gegaan. Tot nu toe waren onze acties symbolisch gericht, aldus de tekst, met als voorbeeld de raketaanslag op het embleem van de Amerikaanse ambassade in januari. „De volgende zou wel eens bloedig en minder symbolisch kunnen zijn.”

Speciaal het parlement wordt als mogelijk doelwit genoemd, met de ministers van Orde, Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Laatsgenoemde, Dora Bakoyánnis, had Israël te veel gesteund in de oorlog tegen Libanon. In 1989 werd haar echtgenoot vermoord door de ‘Revolutionaire Beweging 17 November’.

Het is niet toevallig dat de proclamatie verscheen op de dag waarop na 17 maanden uitspraak werd gedaan in het hoger beroep tegen de vijftien beklaagden van de 17de November, die 23 moorden pleegde tussen 1975 en 2001. De eerder uitgesproken straffen werden iets verlaagd: 39 maal levenslang en 6604 jaar.

De Grieken geloven dat de timing van de proclamatie verband houdt met de nadering van 23 mei, als in Athene de finale van de Champions League wordt gespeeld tussen AC Milan en Liverpool. Heel de politiemacht in en om de hoofdstad wordt dan ingezet om hooligans uit Engeland en Italië in bedwang te houden, en daar zouden terroristen van kunnen profiteren. Met weemoed denken de Grieken terug aan de Olympische Spelen van 2004 die onder optimale veiligheidsomstandigheden zijn gehouden.

Die zekerheid aangaande veiligheid zijn ze de laatste tijd kwijtgeraakt, niet zozeer vanwege terrorisme alswel vanwege anarchisme. De hooguit vijfhonderd anarchisten – „bekende onbekenden” –, toegedekt met kappen of helmen, bedrijven dag en nacht gewelddaden, bij voorkeur tegen politiebureaus, waarbij ook winkels en personenauto’s het moeten ontgelden. Reeds zijn er burgers die niet meer naast een politiebureau willen wonen. Als uitvalsbasis dient de Atheense wijk Exárchia, bijna een vrijhaven waar de politie zich nauwelijks meer durft te vertonen, maar onvoorspelbaar is elke keer weer welk bureau „aan de beurt” is.

De politie wordt zeer slecht betaald en veel agenten hebben een tweede baantje. Binnen het corps heerst groeiende machteloosheid en malaise, ook ruzie tussen leiding en syndicalisten. Laatsgenoemden eisten nog gisteren dat het hele ministerie van Orde moet opgaan in dat van Binnenlandse Zaken. De huidige minister, Byron Polydoras, zei vorige week dat hij er schoon genoeg van heeft. „Ik zit niet aan deze zetel vast”, riep hij, „het is voor mij een straf, een corvee, en elke dag wil ik wel mijn ontslag aanbieden.”

Het nieuwe aspect van de jongste proclamatie – afgezien van het aankondigen van geweld, ook een novum – is de solidariteit die wordt beleden met de anarchisten. „Hun strijd tegen de politie is onze strijd.” De 17de November had zich met de anarchisten niet ingelaten, hoewel die op hun beurt wel bewondering hadden en hebben voor de „politieke strijd” van de terroristen.

Hoewel de Griekse geschiedenis vol geweld zit, kan men gerust zeggen dat de gemiddelde Griek er een grote afkeer van heeft. De 17de November kon in het begin bogen op enige sympathie, omdat het ging tegen folteraars en collaborateurs van de kolonels. Maar toen gewone „kapitalisten” het slachtoffer werden draaide dat om, en de moord op de populaire politicus Pàvlos Bakoyánnis – die ten tijde van de junta in Duitsland anti-dictatoriale radio-uitzendingen had verzorgd – bracht het absolute keerpunt in de waardering van de groep.

Tot grote betogingen tegen het terrorisme, zoals in Spanje en Italië, is het in Griekenland opmerkelijk genoeg nooit gekomen. Maar de nieuwe gewelddaden en -dreigingen veroorzaken weer dezelfde afschuw, een afschuw die het leedvermaak, vaak politiek ingegeven, over de onmacht van de politie overtreft.