Een structurele boosheid

Anton Geesink (73) was gisteren 20 jaar IOC-lid. Een roerige tijd mede als gevolg van verkoelde verhoudingen met het NOC. „Op een goed moment zijn oneliners geen satire meer, maar een poging iemand te elimineren.”

Steeds weer welt woede in hem op. Al het goede dat Anton Geesink in zijn ogen voor de olympische beweging in Nederland heeft gedaan, wordt overschaduwd door zijn gekwelde gemoedstoestand. Maatschappelijke mastodonten als Henk Vonhoff, Wouter Huibregtsen, Hans Blankert en in mindere mate Erica Terpstra hebben hem in die twintig jaar dat hij lid is van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) – 11 mei 1987 werd Geesink in Istanbul gekozen – dusdanig dwarsgezeten en gekwetst, dat na twee decennia wrok domineert. „Nee, ik kán alle beledigingen niet van me afzetten. En ik wíl het niet.”

De eerste eruptie volgt al kort op de hartelijke ontvangst in zijn woning aan de Anton Geesinkstraat in Utrecht. De onschuldige openingsvraag brengt de kolossale gestalte op de leren bank onmiddellijk tot ontbranding. Hoe Geesink terugkijkt op twintig jaar IOC-lidmaatschap? Meteen grimmig: „Ik heb veel te veel tijd en energie moeten steken in het rechtzetten van zaken die krom waren.” De toon van zijn verhaal is gezet.

Geesinks structurele boosheid typeert zijn gespannen relatie met het NOC, zoals de oud-judokampioen de sportkoepel NOC*NSF hardnekkig noemt. Dat komt omdat hij als IOC-lid niets te maken wil hebben met de niet-olympische bonden en de fusie tussen het Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie nog altijd categorisch afwijst.

Het NOC dus, de organisatie die Geesink als de exclusieve vertegenwoordiger van het IOC in Nederland vol overgave wilde dienen, maar hij in zijn perceptie niet volledig kón dienen, omdat hem het werken onmogelijk is gemaakt door de voorzitters Vonhoff, Huibregtsen en vooral Blankert. Alleen over interim-voorzitter Joop van der Reijden heeft hij geen klachten; wel enig onbehagen over de huidige voorzitter Terpstra, wier rol Geesink kapittelt in zijn rechtszaak tegen Blankert.

Licht verontwaardigd, omdat hij als bestuurslid van NOC*NSF in een conflict met een oud-bestuurslid op meer steun had gerekend: „De inkt van het vonnis was nog niet droog of het NOC had al een persverklaring verspreid met de mededeling: ‘Geesink heeft verloren.’ Hoezo? In de uitspraak kwamen de woorden ‘winnen’ en ‘verliezen’ helemaal niet voor. De rechter beoordeelde dat Blankert op drie van de vier punten niet netjes is geweest. De eis van één euro (symbolische) boete werd niet toegewezen, omdat hij me volgens de rechter niet zwaar genoeg had beledigd.”

De naam Blankert is gevallen, dus is Geesinks toorn opgewekt. Van alle ‘foute’ voorzitters van het NOC en later NOC*NSF was hij de kampioen. Het IOC-lid sleepte Blankert uiteindelijk voor de rechter, omdat hij diens publieke beledigingen niet langer kon accepteren. Getergd: „Al die oneliners waarmee hij me heeft beschadigd; hoe kwam-ie eraan? En hij bleef maar doorgaan, terwijl ik hem in een bestuursvergadering al eens had gevraagd ermee te stoppen. Het is net als met satire: na twee keer zeg je nog vooruit, maar als voortdurend dezelfde persoon wordt aangepakt is het geen satire meer. En als een oud-voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW wat zegt, heeft dat zijn uitwerking op bedrijven, met als gevolg dat ik uit die hoek vrijwel geen uitnodiging meer kreeg om voordrachten te houden. Dan is er niet langer sprake van de spot met iemand drijven, maar is het een bewuste poging hem te elimineren.”

En dan was er nog Blankerts opstelling direct na afloop van de rechtszaak. Geesink denkt er met afgrijzen aan terug. „Terwijl ik de uitspraak van de rechter respecteerde, riep Blankert blij te zijn dat hij die euro niet hoefde te betalen. Dat zei de man voor wie het NOC vijftigduizend euro voor zijn afscheidsfeest heeft betaald. En zijn proceskosten kwamen ook nog eens voor rekening van het NOC, terwijl ik die zelf moest betalen. Hoeveel? Zo’n veertigduizend euro. Maar gelukkig had deze simpele ziel een rechtsbijstandsverzekering afgesloten.”

Een man die zich conflicten zo aantrekt, gun je meer relativeringsvermogen. Maar dat is aan Geesink niet besteed. Hij is in 1987 IOC-lid geworden met de krachtige verwijzing van de toenmalige voorzitter Juan Antonio Samaranch naar zijn opdracht om de olympische gedachte in Nederland uit te dragen. Die taak neemt Geesink zo serieus dat opposanten op zijn tegenwerking kunnen rekenen. Complicerende factor voor voorzitters van de sportkoepel is dat ze niet om de olympische judokampioen van 1964 heen kunnen, omdat hij op grond van het olympische handvest een autonoom bestuurslid van het nationaal olympisch comité is. „En dan in de hoogste echelons”, voegt Geesink graag en veelbetekenend toe.

Maar de wereld van de sportbestuurders is niet echt zijn biotoop, iets wat Geesink twintig jaar geleden al bevroedde. Hij had een maand voor zijn verkiezing er nog met Samaranch over gesproken. „Ik vroeg hem destijds: ‘Voorzitter, wat moet u met mij? IOC-leden zijn toch een ander soort mensen, vooral hoogopgeleid.’ En weet je wat hij antwoordde? ‘Maar jij bent ook hoogopgeleid, omdat je het hoogste in jouw sport hebt bereikt.’”

De keus van het IOC voor de voormalige bouwvakker viel verkeerd bij VVD-coryfee Vonhoff, toenmalig NOC-voorzitter en ook kandidaat om de overleden Kees Kerdel als IOC-lid op te volgen. In plaats van het pluche werd Vonhoff in het bestuur opgezadeld met een ongewenst lid en iemand die hij intellectueel geringschatte. Geen wonder dat de kennismaking van Geesink met het NOC het begin markeerde van een langdurige, explosieve relatie.

Geesink herinnert zich dag en plaats nog al te goed. „Het was tijdens een bestuursvergadering op 14 december 1987 in Den Haag. Ik kwam binnen, werd niet begroet en moest zelf een stoel zoeken. Ik ben gaan zitten en heb het woord gevraagd. ‘Voorzitter’, zei ik, ‘ik denk dat ik er beter aan doe om nu de vergadering te verlaten en onafhankelijk van het NOC ga functioneren.’ Daarvoor had het me al gestoord dat Vonhoff tijdens het 75-jarig jubileumfeest van het NOC in de Nieuwe Kerk in Amsterdam niet had gemeld dat Nederland een nieuwe IOC-vertegenwoordiger heeft. Sterker, ik was niet eens uitgenodigd. Maar ik had wel vernomen dat het bestuur diep teleurgesteld was over mijn verkiezing tot IOC-lid. Opmerkelijk, omdat mij niets te verwijten was.”

Vonhoff ging, Huibregtsen kwam. Maar de band met het IOC-lid verbeterde niet, mede als gevolg van Geesinks vooringenomenheid. Hij had zich laten informeren over Huibregtsen, indertijd directeur Nederland van het organisatieadviesbureau McKinsey. En een van zijn adviseurs, sportmarketingdeskundige Frank Van den Wall Bake, vertelde Geesink dat de nieuwe voorzitter kundig maar solistisch en dominant was. „En ik vind dat besturen een gezelschapsspel is”, zegt Geesink, die vervolgens gekrenkt was toen Huibregtsen bij een kennismakingsronde hem als laatste bezocht. „Hij zei dat hij me adoreerde en vroeg me een handtekening te zetten in een judoboek, dat overigens nog in het plastic zat. ‘Maar als u mij zo belangrijk vindt, waarom bezoekt u mij dan als laatste?’, vroeg ik hem. Nee, hij heeft niet geantwoord. Kon-ie ook niet.”

Van een werkbare relatie kon vanaf die eerste ontmoeting geen sprake meer zijn, mede doordat Geesink de nieuwe voorzitter ronduit vertelde hem niet te zullen accepteren. Het IOC-lid: „Omdat Huibregtsen uit de yes-sir-cultuur afkomstig was. Daaronder versta ik sportbestuurders die zich niet bij alle zaken afvragen wat er bedoeld wordt, maar snel hun instemming verlenen. Maar ik zei er ook bij: ‘Dat hoeft voor u toch geen probleem te zijn, want er blijven genoeg bestuursleden over die u steunen.’ Ik bevooroordeeld? Vind ik niet. Waarom had ik hem het voordeel van de twijfel moeten geven? Dat had Huibregtsen juist mij moeten vragen. Ik had nooit met hem samengewerkt en was ook niet van plan dat te doen. Ik wil geen vrienden zijn met bestuursleden, maar alleen een zakelijke werkrelatie onderhouden.”

Toen Huibregtsen zich in navolging van Vonhoff ook kandideerde voor het IOC verbaasde dat Geesink niet. Wel dat hij geen informatie bij hem inwon. „Te gek voor woorden”, vindt de oud-judokampioen, die ontkent nadien een wraakzuchtige rol te hebben gespeeld in de verkiezing van kroonprins Willem-Alexander tot IOC-lid, wat Huibregtsen op zijn beurt als een judasstreek ervoer, omdat de prins als beschermheer van NOC*NSF hem zou hebben beloofd geen pogingen te zullen doen om IOC-lid te worden. Geesink: „Het verbaasde me niet, omdat ik wist dat Samaranch gecharmeerd was van onze prins en hij royalty statusverhogend voor het IOC vond. Hij heeft mij slechts één keer gevraagd wie ik geschikt zou vinden. Ik heb toen een tiental namen genoemd. Ja, natuurlijk die van de prins, maar ook Ard Schenk. Nee, dat wist Ard niet; het zou verwachtingen hebben gewekt.”

Hoe zuiver Geesink naar eigen zeggen zijn taak ook uitvoert, er is één smetje: het omkoopschandaal rond de toewijzing van de Winterspelen aan Salt Lake City (2002). Geesink werd genoemd nadat een onderzoekscommissie zijn naam tegenkwam bij een transactie van 5.000 dollar. Dat betrof de verblijfskosten die Tom Welch, voorzitter van het organisatiecomité, voor zijn aanwezigheid bij een seminar in Utrecht had overgemaakt aan de Stichting Vrienden van Anton Geesink, een organisatie van Geesink-getrouwen om hem als vrijwillig IOC-lid financieel te ondersteunen.

De verontwaardiging druipt nóg van zijn stem als Geesink aan die tijd refereert. „Want ik had niets met die zaak te maken; het ging om een bedrag dat op rekening van de stichting was gestort. En het is ook onjuist dat ik een officiële waarschuwing heb gekregen. Kort voor zijn dood heb ik dat vorig jaar nogmaals gevraagd aan Kéba Mbaye, de voorzitter van de ethische commissie van het IOC. ‘Anton’, zei hij, ‘we hebben je alleen geadviseerd om voorzichtig te zijn, net zoals je een kind waarschuwt bij het oversteken.’ Maar vervelend is het, want de zaak blijft hangen.”

Zoals ook de talrijke aanvaringen met Nederlandse sportbestuurders Geesink blijven achtervolgen. Maar heeft hij tussen zijn gebrom over die mensen dan niets positief te melden over twintig jaar IOC-lidmaatschap? Toch wel. Vol trots: „Ik heb de olympische beweging in Nederland op gang gebracht. Voor mijn aantreden in 1987 bestond de olympische gedachte niet; nu weten de mensen er vanaf. Er is een andere approach gekomen. En ik heb er met de invoering van een atletencommissie mede voor gezorgd dat de sporter een stem heeft gekregen binnen het NOC. ”

Maar hij blijft NOC*NSF bestoken met brieven, waarin Geesink over allerhande olympische zaken (gekruide) meningen geeft. Die buitenparlementaire werkwijze wekt wrevel onder bestuursleden, die vinden dat hij zaken ook tijdens vergaderingen kan aankaarten.

Voorzitter Terpstra zei deze week nog op vragen van de judobond tijdens de algemene vergadering „wel eens een beetje moe te worden van die brieven”, maar hem het schrijven ervan niet te zullen beletten. Maar Geesink laat zich niet temmen, want bij het afscheid zwaaide hij trots met een bundeltje van zeven A4’tjes tekst dat klaar lag om naar het NOC gestuurd te worden. Geesink: „Want het is juist mijn kracht, dat ik alles schriftelijk vastleg.”