Een onooglijk handschrift

Eerlijk gezegd is het handschrift van Max Havelaar maar een armetierig ding. Het is op vergeeld houtpapier geschreven. Er zitten zwarte vegen op, want het heeft op de zetterij bij de drukpersen gelegen. De zetters hebben met hun vuile inktvingers de bladen omgeslagen. Er staan geen grappige tekeningen of interessante schema’s in. Er is ook niets merkwaardigs mee aan de hand. Er zitten geen kogelgaten in, zoals in veel oorkonden van het stadsarchief van Brugge. De collectie werd in de Tweede Wereldoorlog verplaatst en per ongeluk beschoten door de geallieerden. Het handschrift heeft geen verbrande randen zoals de gedichten van Chris van Geel hebben. Zijn huisje in de duinen brandde af, en er restten slechts aan elkaar gekoekte, half verkoolde handschriften, die in het Letterkundig Museum gezien kunnen worden. Er zitten geen wijnvlekken op zoals bij gedichten van Jan Slauerhoff, en er is geen ondertekening met bloed zoals P.C. Hooft gedaan heeft in een brief aan de aanbeden Leonora. Nee, veel bijzonders is het handschrift van de Max Havelaar niet.

Ik mocht het handschrift van de belangrijkste roman uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis bekijken onder het toeziend oog van de hoofdconservator van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. Aan de Oude Turfmarkt is een nieuwe bibliotheek gebouwd voor haar bijzondere handschriften en drukken. Daar is ook een tentoonstellingsruimte bij om hele mooie stukken uit de collectie te tonen. Adembenemende stukken, zoals een vroeg handschrift van Caesar’s De Bello Gallico, de oudste vogelvluchttekening van Amsterdam, een sonate van Beethoven met handgeschreven correcties, het kleinste en het grootste gedrukte boek uit de collectie, en sonnetten van P.C. Hooft. Er ligt ook het handschrift van Max Havelaar te pronk. Het is eigenlijk bezit van het Multatuli-museum, maar daar kan het niet veilig genoeg opgeborgen, laat staan tentoongesteld worden.

Ogenschijnlijk zijn er geen bijzonderheden aan dat handschrift te onderscheiden, maar dat is slechts schijn. Het verhaal van het schrijven en publiceren van Max Havelaar is een drama in enkele bedrijven, en het handschrift toont dit drama, letterlijk.

Het toont de tragiek van de geïsoleerde eenling Multatuli die buiten het literaire leven stond, en die zich noodgedwongen voegde naar de slimme retoriek van de gevestigde literator Jacob van Lennep. Het toont hoe een levende acteur een marionet kon worden in handen van een gelikte poppenspeler. Het toont hoe oprechte drift gesust kan worden door rede, hoe scherpe pijlen zo bot gemaakt kunnen worden dat ze niet meer verwonden.

Het toont dit, doordat er twee lagen in het handschrift zijn: dat van de schrijver Multatuli die zijn aanklacht tegen de uitbuiting van de lokale bevolking in Indië neerschreef, en dat van de bewerker Jacob van Lennep, die de aanklacht zijn scherpte ontnam.

Multatuli schreef zijn boek tussen 16 september en 13 oktober 1859 in Brussel. Vandaar schreef hij de veelgeciteerde brief aan zijn vrouw: ‘Lieve hart mijn boek is af, mijn boek is af! Hoe vind je dat?’ Daarna begon hij het klad over te schrijven voor een netversie, tot zijn ogen ontstoken raakten. In drie weken was hij ermee klaar. En toen moest hij een uitgever zien te vinden. Hij had weinig vrienden, en geen literaire connecties. Via tussenpersonen kwam hij in contact met Jacob van Lennep, de meest gelezen schrijver van dat moment, een bon vivant, een schrijver met grote invloed op de publieke opinie, en die leek hem geschikt om hem te helpen bij het vinden van een uitgever.

Van Lennep las het boek en was verbluft. Aan een vriend schreef hij dat hij het boek verslonden had: ‘ ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen: de gebreken, waarover ik, zoo ’t een gewonen roman gold, klagen zou, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan het verhaal. ’t Is bl….. mooi, ik weet het niet anders uit te drukken’.

Hij wilde wel voor een uitgever zorgen en voor een flinke zak geld, zo schreef hij aan vrienden en aan Multatuli, maar dan moest het boek wat meer een roman worden en wat minder een politiek pamflet. Het mocht niet leiden tot oproer in toko’s en koffiehuizen. Die laatste woorden schreef hij alleen aan zijn vrienden, en niet aan Multatuli. Van Lennep wilde de feiten, de data en de plaatsen eruit hebben. Ook had hij bezwaar tegen het slot waarin Multatuli de koning aanspreekt en hem vraagt of hij wel weet dat er in zijn naam dertig miljoen onderdanen mishandeld en uitgezogen werden. Dat slot, dat wilde Multatuli per se handhaven: ‘Moet Max H. zijn staart missen? ’t Is er meê als de paradijsvogel. Het heele dier is om dien staart geschapen’. Van Lennep liet hem de staart, maar dat was ook alles. Hij begon het manuscript te bewerken en er de scherpe kantjes af te halen, met rode inkt. Multatuli ging akkoord, maar niet van harte.

Zo is het handschrift bewaard gebleven. Een keurig, goed leesbaar handschrift van Multatuli, met zelden een verschrijving. Je ziet er niet aan af dat hij pijn aan zijn ogen begon te krijgen, want het blijft tot op het laatst regelmatig. Het slot heeft hij met grote, dikzwart aangezette letters geschreven, alsof hij de drukker alvast wilde instrueren straks vooral vette letters en kapitalen te gebruiken. Op vrijwel elke pagina die in Indië speelt zie je de rode aantekeningen van Jacob van Lennep, die hier en daar bruinpaars verkleurd zijn. De grootste ingreep heeft hij echter niet in de Indische hoofdstukken gedaan, maar in het zestiende hoofdstuk, waarin de jonge Frits scherpe vragen aan dominee Wawelaar stelt. Baldadige vragen zoals: of Jezus kousen droeg en een tulband op had, wat er gebeurt als twee gelovige mensen voor iets tegengestelds bidden, hoe Noach aan een paar ijsberen voor zijn ark was gekomen… Van Lennep schrapte deze brutaliteiten van Frits en nog een tiental volgende logische opmerkingen over inconsistenties in de bijbel. Hij was kennelijk niet alleen bang voor opstand in Indië, maar misschien nog wel meer voor belediging van het christelijk volksdeel.

Toen het boek verscheen was Multatuli tevreden, Van Lennep tevreden, de uitgever tevreden. Tot Multatuli ontdekte dat hij het eigenlijk helemaal niet eens was met de veranderingen. Hij noemde ze verminkingen en spande een proces aan tegen Van Lennep, dat hij verloor. Zijn manuscript zag hij nooit meer terug. Vijftig jaar was het onvindbaar, tot het in 1910 opdook bij een Multatuli-tentoonstelling. De stiefzoon van de eerste uitgever van het manuscript kwam ermee aanzetten.

Vanaf toen konden geleerden die het handschrift opvroegen uit de collectie van het Multatuli-genootschap zien wat er gebeurd was met de oorspronkelijke versie van Max Havelaar. Nu kan iedereen het zien. De rode inkt van Van Lennep bloost in de vitrines van de Universiteitsbibliotheek nog net zo rood als in 1860.