De Rijkshooligan versus Fortuyn

Vijf jaar na zijn moord is Fortuyn nog steeds populair. De publieke omroep portretteerde hem vanuit verschillende invalshoeken. Zo is het onthutsend om Fortuyn, een paar dagen voor zijn dood, in een interview met Ivo Niehe te horen spreken over Jean-Marie Le Pen. Hij wilde niet met Le Pen worden vergeleken omdat volgens Fortuyn Le Pen allochtonen die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, het land wil uitzetten. Zo iets komt nooit in mijn hoofd op, benadrukte Fortuyn.

In 1997 schreef hij een spraakmakend boek met de titel: Tegen de islamisering van onze cultuur. Dit boek werd in 2002 opnieuw uitgegeven. Echter, de titel had een niet onbelangrijke wijziging ondergaan: ‘De islamisering van onze cultuur’. Het woordje ‘tegen’ was weg. Op de omslag zien we de foto’s van Fortuyn en imam Hazelhoef. Van ‘tegen’ naar een kritische dialoog ‘met’ geeft op markante wijze de Fortuynontwikkeling aan.

Fortuyn, die de wedergeboorte van het politieke geweld in Nederland aanvoelde, eindigde zijn inleiding met een analyse van een waarzegger: „Een reden temeer om ons nu niet te laten kisten door angst en de discussie, de ideologische strijd, met de islam aan te gaan. Uiteraard binnen de grenzen van de wet, die voor ons allen zonder aanzien des persoon gelden. Dus: handen thuis, spreken met twee woorden; om over bekladding van moskeeën en brandstichting in islamitische eigendommen maar niet te spreken. Geweld is laf, zeker indien er geen visitekaartje aan hangt, en onze beschaving onwaardig. Het woord als wapen, daarmee moeten we het in de moderniteit doen en op termijn zal dat een respectvol, liefdevol en buitengewoon effectief wapen blijken te zijn!”

De kranten hadden het helaas alleen over de LPF, de erfenis van Fortuyn en niet over Fortuyn en de maatschappelijke achtergrond waaruit hij was voortgekomen. Zo verscheen in deze krant een artikel van J.A.A. van Doorn, columnist van Trouw en HP/de Tijd, over Fortuyn. De schrijver voert al een aantal jaren een kruistocht tegen Fortuyn, en daarna tegen Hirsi Ali en ook tegen ondergetekende. Uiteraard vormt de staat Israël het verbindende element van deze kruistocht: „Op de valreep vestigden Europeanen een nieuwe kolonie die tot op de dag van vandaag als een doorn in het islamitische lichaam steekt: Israël. Want als een Europese kolonie heeft de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl, de Joodse staat bedoeld en aanbevolen.” Geschreven op 5 oktober 2001 met bedoeling om 9/11 begrijpelijk te maken. Van Doorn gaat nog een stap verder: „Die Europese kolonisatie is niet alleen als een vernedering beschouwd, maar ook als een poging de islamitische wereld, die zich uiteindelijk als een eenheid beschouwt, aan stukken te hakken en machteloos te maken. Pas de laatste halve eeuw hebben de moslims hun staatkundige vrijheid herwonnen, maar nog altijd opgesloten in postkoloniale staten, grotendeels beheerst door seculier georiënteerde en vaak corrupte elites. Het huidige fundamentalisme komt daartegen in opstand, maar wordt nu door een nieuwe westerse macht, Amerika, in de ban gedaan, en met geweld bestreden. De dodelijkste belediging van het zelfrespect van de moslimwereld was uiteraard de stichting, in 1948, van Israël, een westers project in een tijd van dekolonisatie” (Trouw, 9 september 2006).

Wat u hier leest komt nagenoeg overeen met de opvattingen van de Talibaan, Hamas, en het Iraanse islamitische regime. De joodse staat, deze dodelijkste belediging, een doorn in het islamitische lichaam, heette bij imam Khomeiny het kankergezwel in het lijf van de islam. Wat zou hier de toepasselijke kwalificatie zijn? U mag het zeggen.

Op verzoek van de Opinieredactie herdacht Van Doorn Fortuyn. Zijn in haat gedoopte pen begon met de mededeling: „Over de persoon Pim Fortuyn heb ik weinig goeds te melden. Wie onbevooroordeeld van zijn levensloop kennisneemt, krijgt last van plaatsvervangende schaamte. De man was een fantast en een leugenaar, een intrigant en een querulant […].” Hoe moeten we deze raadselachtige passage begrijpen? Over Fortuyn, Ayaan en anderen heeft hij nooit iets goeds te melden. Laten we dus kijken wat hij had te melden over Jörg Haider, de vriend van Saddam, en bovenal een uitgesproken antisemiet: „Het moet iedere rechtgeaarde democraat deugd doen dat de Oostenrijkse politiek eens fors wordt opgeschud.” Daarna schreef hij: „Feit is dat Haider keer op keer in de fout is gegaan. Door lovende opmerkingen over nazi-Duitsland en contacten met oude nazi’s […]’ Foutje, wat dom van Haider!”

En dan komt een nogal sympathieke weergave van Haiders opvattingen: „Hij begint met een omineus klinkend Recht auf Heimat te bepleiten. […] Ook de islam moet het bij Haider ontgelden [….].” Haider wil een onderscheid tussen economische en politieke vluchtelingen. De eerste groep is niet welkom de tweede wel, maar de oorzaken ervan in de Derde Wereld moeten worden bestreden. Tot slot schreef Van Doorn: „Is dit nazisme? Een oproep tot vreemdelingenhaat? De algemene redenering lijkt me deugdelijk, en het onderscheid tussen asielzoekers en economische immigranten is politiek correct. Meerdere van de voorstellen zijn in Nederland al gerealiseerd of zijn het overwegen waard.” Deze onthutsende beschouwing eindigt met deze constatering: „Vandaar de opwinding over Haider. Haider maakt van een wezenlijk probleem een politiek issue. Dat is onbehoorlijk” (HP/De Tijd, 11 februari 2000).

Juist hier krijgen we last van plaatsvervangende schaamte. Haiders antisemitisme en nazisme scheidden hem immers van de liberalen. Maar wat is dat kabaal tegen Fortuyn, Ayaan en anderen? Als zij hadden gezegd dat joden de bron zijn van de problemen en Israël moet worden opgeheven, dan zouden ze logischerwijs op de sympathie van Van Doorn kunnen rekenen. Ook zou Van Doorn niet meer de hooligan uithangen tegen Fortuyn, Ayaan, ondergetekende en de rest. Hoe intenser iemand door een Rijkshooligan wordt gehaat, des te duidelijker wordt de juistheid van de ingeslagen weg.