De regels van het recht, niet die van de straat

Wie komt er bij de rechter en waarom? Twee jongens vechten met elkaar. Eén staat terecht, de ander wil schadevergoeding. De video moet uitkomst brengen.

Een vechtpartij tussen twee Marokkaanse jongens in een discotheek in Amstelveen. Het gebeurde op 30 april, Koninginnedag. Nog geen twee weken later zitten ze bij politierechter Bouter-Rijksen in Amsterdam om uit te leggen wat er is gebeurd. Het was zelfverdediging, zegt de één. Onzin, zegt de ander. Het was mishandeling.

Tot zover niets bijzonders. De politierechter ziet elke dag vechtende jongens, en vaak zijn het Marokkaanse vechtende jongens. De politie heeft hen opgepakt en al dan niet vastgezet. Ze worden allebei behandeld als dader. De rechter luistert naar de één, hoort het verhaal van de ander aan en doet meteen uitspraak. Zo gaat het meestal.

Maar nu is het anders. Twee bewakers brengen Omar T. de zaal binnen. Hij zit al tien dagen in het huis van bewaring. Hij is negentien jaar, heeft kort zwart haar, een spijkerbroek en een trui van een Braziliaanse voetbalclub. Hij begroet beleefd zijn advocaat en gaat zitten. De andere jongen houdt de zaaldeur open voor vijf Nederlandse dames. Ze zijn van Slachtofferhulp en komen kijken hoe het er bij een zitting van de politierechter aan toegaat. Ze gaan achterin de zaal zitten en fluisteren dat dit een zaak is mét een slachtoffer, die ook nog eens schadevergoeding gaat eisen.

Het slachtoffer is ook een jaar of negentien. Hij draagt een spijkerbroek en een lamswollen trui. Omar T. zou zijn broer kunnen zijn. Ook deze jongen heeft een advocaat. Hij heeft zich, zoals dat heet, gevoegd als benadeelde partij.

Als de rechter in haar dossier zoekt naar zijn papieren, springt hij op en overhandigt haar, de griffier en de officier van justitie kopieën van de huisartsverklaring, die van het ziekenhuis, een portretfoto in kleur van hemzelf waarop de verwondingen zichtbaar zijn en een bonnetje van de kleding die door de mishandeling kapot is gegaan. Hij eist 1.730 euro schadevergoeding. Dat is voor de kleren en de dagen dat hij niet heeft kunnen werken, en het is smartegeld.

Hij heeft precies gedaan wat de vijf vrijwilligers van Slachtofferhulp voor slachtoffers gaan doen als ze zijn ingewerkt. En hij doet precies wat Nederlanders willen dat hij doet. De regels van de rechtsstaat volgen en niet die van de straat.

De afstand tussen de jongens is nog geen drie meter. Even kruisen hun blikken elkaar. Geen spoor van herkenning. Aan niets is te merken dat ze nog geen twee weken geleden met elkaar hebben gevochten.

Voor Omar T. ziet het er niet goed uit. Er blijken camerabeelden te zijn van de vechtpartij in de discotheek. De officier van justitie wil de rechtszitting uitstellen om de beelden te bekijken. Ook de advocaat van Omar wil de beelden wel zien, maar niet als dat betekent dat Omar nog langer vast moet zitten. Omar komt van heel ver, zegt zijn advocaat. Hij zit nu in een „kantelmoment”. Het lijkt net de goede kant met hem op te gaan.

De Surinaamse man die al de hele tijd zwijgend achter Omar en zijn advocaat zit, krijgt het woord. Omar zit in een ‘ITB-project’ met ‘ET-traject’, zegt hij. Omar wordt, na een lange geschiedenis van vechten en stelen, persoonlijk begeleid door een reclasseringswerker, en hij staat onder elektronisch toezicht. Omar is sinds kort de beste van zijn klas, moet eind deze maand examen doen, wil daarna een opleiding doen aan een ROC, heeft een baantje en heeft binnenkort een intake om begeleid te gaan wonen. En dat, zegt de begeleider, gaat allemaal in de soep lopen als hij nu nog langer moet zitten.

De rechter aarzelt. Trekt zich even terug om na te denken. Ze komt terug met een besluit. De videobanden moeten worden bekeken. Op 18 mei zal de zaak worden voortgezet. En tot die tijd moet Omar vast blijven zitten. De kans is groot, zegt de rechter, dat de beelden duidelijk maken dat Omar zijn slachtoffer niet „gewoon” heeft mishandeld, maar „ernstig”. De straf valt dan hoger uit, in elk geval hoger dan de tien dagen die hij al vastzat, plus de extra acht dagen die hij nu nog moet. Bovendien, zegt zij, zal Omars leven „niet spaak lopen” met een week extra in de cel.

Abrupt schuift Omar zijn stoel naar achteren en roept dat het niet eerlijk is. Hij draait zich met ogen vol woede om naar de jongen die zijn broer had kunnen zijn. Zijn advocaat staat ook op, pakt zijn hand, lijkt hem op de wang te gaan kussen, maar zegt: „Hou je mond.”