De dood is niet getemd, maar er is wel een bescheiden begin mee gemaakt

Overleg kan de goede zelfdoding onderscheiden van de verminkende zelfmoord, ontdekt Maarten Huygen.

Nu de mensen gemiddeld almaar ouder worden, tegen de tachtig al, wordt er minder aan het toeval overgelaten. Er zijn vaste mijlpalen te passeren. De lancering van een nieuw mensje krijgt al wetenschappelijk verantwoorde begeleiding. Voordat dit wonder gebeurt, valt er al in te grijpen, te begeleiden, te sturen en zelfs in petrischaaltjes mee te boetseren. Daarop volgen de opvoeding, het onderwijs met zijn examens en diploma’s, de volwassen sollicitaties, de banen, de eventuele eigen kinderen. Het kan allemaal slagen of falen. Ook ziektes en ongelukken moeten worden overwonnen en dat lukt ook nog vaak. De meesten halen het pensioen, precies op hun 65ste of op de eerder afgesproken datum. En daarna staat voor iedereen die alles tot dan toe heeft overleefd, definitief het levenseinde voor de deur, al is onduidelijk wanneer en hoe. De dood moet nog worden getemd.

En als ik het heldere proefschrift van de 65-jarige psychiater Boudewijn Chabot begrijp, is daar een begin mee gemaakt, zij het bescheiden. Voorafgaand aan zijn promotie afgelopen woensdag in de tot aula omgebouwde Lutherse kerk van de Universiteit van Amsterdam, stond deze ernstige, magere man in zijn witte rokkostuum aan het publiek uit te leggen welk klein percentage van het aantal stervenden in een jaar aan een zelfgekozen dood toekomt.

„Bij negen op de tien zal het niet lukken”, zei hij. Dit was weliswaar een hoogst wetenschappelijke bijeenkomst, maar wij, luisterende stervelingen onder wie een aantal boven de 65, waren zeker niet belangeloos in deze zaak.

Een dag later bleven er minder euthanasiegevallen over. Uit een grote wetenschappelijke telling van drie universiteiten bleek dat het aantal geregistreerde gevallen van euthanasie door of met hulp van een arts was gedaald van 2,8 naar 1,8 procent van het totale aantal sterfgevallen. Chabot vond dat in 3,2 procent van de gevallen mensen hun zelfgekozen dood niet aan de dokter overlaten, maar in overleg met hun naasten hun leven zelf beëindigen door slaapmiddelen samen met medicijnen te slikken of door te stoppen met eten en drinken. Beide methoden, slaapmiddelen of stoppen met eten en drinken, zijn verschillend. Het voordeel van deze methoden is dat patiënten tot kort voor hun dood goed helder zijn en dat is het verschil met het iemand tot de dood buiten bewustzijn brengen.

Chabot schatte dat het aandeel doe-het-zelvers plus dat van euthanasie door een arts plus palliatieve sedatie (in coma brengen) plus de beslissingen om niet te behandelen – dit alles op verzoek van de patiënt – in de buurt van tien procent komt. Dat is dus ruwweg het percentage van de mensen die hun sterven zelf sturen. Het bescheiden percentage is begrijpelijk, had hij uitgelegd. „Het sterven laat zich niet sturen”, zei hij. „Mensen worden toch overvallen.”

Het is een opmerkelijke concessie voor een man die nationaal bekend werd van het zogenoemde Chabotarrest, in 1994. Hij kreeg een rechterlijk pardon (schuldig zonder straf) voor het helpen van een zwaar depressieve vrouw van 50 die twee zoons had verloren en alleen was komen te staan. Chabot had de door hem geraadpleegde deskundigen ook naar de patiënte moeten laten kijken en dat had hij niet gedaan. Omdat de Hoge Raad in dit arrest stelde dat er voor hulp bij zelfdoding geen sprake hoefde te zijn van lichamelijk lijden, werd Chabot door belangengroepen gezien als voorvechter van het recht op een zelfgekozen dood.

Maar in zijn proefschrift distantieert hij zich van dat verleden. „Ik heb mij al spoedig gebruikt gevoeld en onmachtig om daar iets tegen te doen”, schrijft hij in zijn inleiding. „Zeggen dat ik ‘Chabot’ niet ben, dat ik even huiverig en ambivalent als anderen sta tegenover mensen zonder dodelijke ziekte die zich het leven benemen in overleg met naasten, komt voor én tegenstanders slecht uit in hun polariserende discussies op het marktplein.”

Zijn proefschrift Auto-euthanasie, Verborgen stervenswegen in gesprek met naasten staat vol ambivalenties en open vragen. Het is moeilijk generaliseren. De tien gevallen die hij beschrijft, zijn vol misverstanden, ook al hebben mensen in viervijfde van de gevallen vrede met wat zij ‘waardig sterven’ vonden. Hij heeft begrip voor artsen die zich niet willen lenen voor euthanasie, maar hij vindt wel dat zij hun patiënten de weg mogen wijzen naar de mogelijkheid van auto-euthanasie. Die is niet gemakkelijk, blijkt uit het boek.

Overleg en voorbereiding kosten tijd, wat Chabot niet gek vindt voor zo’n definitieve stap. Mensen die willen, moeten zich via brochures op de hoogte stellen en de juiste middelen kiezen en enige tijd medicijnen verzamelen of zich goed laten verzorgen. Ze kunnen besluiten met eten en drinken op te houden en het vasten bij nader inzien onderbreken.

Het beste aan zijn boek vind ik de eenvoudige criteria die hij stelt aan een goede dood: niet voortijdig, in gesprek met naasten, niet verminkend en niet impulsief. Daarbuiten kan zo’n dood afzakken naar een zelfmoord die verminkend is, eenzaam en ruïneus voor de nabestaanden.

Tegelijk met de verenigingen en instellingen die mensen aan een vrijwillig levenseinde willen helpen, zijn er instellingen opgestaan die nabestaanden van zelfmoordenaars willen steunen en zelfmoord willen voorkomen. Mensen mogen niet „met de auto langs verborgen stervenswegen tegen een boom rijden”, zoals de opponens Paul Schnabel in een woordgrapje over de titel opmerkte. Dat is de abrupte, verminkende zelfmoord, zonder overleg.

Volgens het Trimbos-instituut is het aantal zelfmoorden aanzienlijk hoger dan de geregistreerde 1.600 per jaar. Veel zelfmoorden kunnen worden voorkomen. Overleg met naasten over het voorgenomen levenseinde maakt het mogelijk dat de bevordering van een goede dood tegelijk opgaat met de bestrijding van zelfmoord. Mensen zijn niet alleen, maar maken deel uit van een geheel. Iemand mag anderen niet medeplichtig maken aan een dood die zij niet wensen. Anderzijds helpt het om te blijven luisteren naar mensen met verkeerde zelfmoordplannen. Er is geen vaste richtlijn voor zulke gesprekken. Het verloopt niet altijd harmonisch. De dood is niet getemd.