‘De Cubaanse samenleving is vernietigd’

In 1990 belandde Jorge Luis García Pérez wegens politiek incorrect gedrag in een Cubaanse gevangenis. Hij werd er geslagen en met machetes bewerkt. Sinds kort is hij vrij. „Ik ben nu een lopend bewijs van de misstanden in dit land.”

Nu is het écht welletjes. De Berlijnse muur is vier maanden geleden gevallen. De communistische broeders uit Oost-Europa stromen het vrije westen binnen. En dus is ook voor Cuba de tijd aangebroken om 31 jaar na de revolutie het socialistische juk af te werpen.

Dat is in het kort de gedachte van Jorge Luis García Pérez als hij in de namiddag van donderdag 15 maart 1990 voor het laatst de deur van zijn ouderlijk huis achter zich sluit. De 25-jarige Cubaan, ook bekend als Antúnez, loopt naar het Plein van de Revolutie in zijn woonplaats Placetas. Daar herdenkt de bevolking, zoals in heel Cuba, dat in de stad Baragúa in 1878 de zwarte onafhankelijkheidsstrijder en generaal Antonio Maceo een protest tegen de autoriteiten organiseerde.

In het hart van de stad luistert de bevolking via luidsprekers naar een rechtstreekse radio-uitzending van de feestelijke toespraak die minister van Defensie Raúl Castro houdt in de stad Santiago de Cuba. De vijf jaar jongere broer van politieke leider Fidel spreekt over het patriottische Cubaanse volk dat ferm verder zal gaan op de enig juiste, socialistische weg. Niets wijst op een koerswijziging van het Caraïbische communisme.

Dan begint Antúnez te schreeuwen. ‘Abajo Fidel’ – Weg met Fidel – roept hij. En als iedereen hem verschrikt aankijkt: ‘Communisme is een utopie’ en zo volgen er nog wat leuzen. ‘De revolutie is mislukt’, klinkt het. ‘We moeten strijden tegen de dictatuur’. Steeds luider.

In een mum van tijd weet Antúnez zich omringd door agenten. Hij krijgt net zo lang klappen tot hij zijn mond houdt en wordt afgevoerd naar het politiebureau. Na twee dagen volgt de officiële beschuldiging. Antúnez is schuldig aan het maken van ‘mondelinge propaganda voor de vijand’. Er volgt overplaatsing naar de gevangenis.

Tot zondag 22 april 2007. Om tien minuten over zes ’s ochtends gaan de deuren van de gevangenis in provinciehoofdstad Santa Clara open. Libertad por cumplimiento – vrij wegens uitzitten van de straf – staat er op het door gevangenisdirecteur kapitein Oswaldo Fernández Rodriguez ondertekende papiertje dat de gevangene, nummer 1.512.093, krijgt uitgereikt. Na 17 jaar en 38 dagen is de op een na langst vastzittende politieke gevangene op het eiland weer een vrij man.

De nu 42-jarige Cubaan moet er nog even aan wennen. „Het lijkt wel of ik opeens in een gigantisch museum ben beland. Cuba oogt als één grote ruïne. Alsof alle steden zijn geplunderd. Alsof er net een oorlog is geweest. En overal hangen affiches over hoe we glorieus een buitenlandse vijand verslaan. Maar ondertussen is de Cubaanse samenleving vernietigd.”

Biggetjes

Voor een man die het belangrijkste deel van zijn leven in gruwelijke gevangenissen, bijna altijd in eenzame opsluiting, heeft geleefd, oogt Antúnez opvallend monter en gezond. Hij is hartelijk en zeer spraakzaam. Hij verontschuldigt zichzelf halverwege het gesprek als hij een filtersigaret aan de verkeerde kant aansteekt en in brand zet. „Ik ben gespannen”, zegt hij.

Antúnez woont in een van zijn zus geleende kamer die niet veel groter is dan de meeste gevangenissencellen waarin hij zeventien jaar heeft doorgebracht. ‘Evolutie’, en, ‘Ik ben verandering’, staat er in het Engels op zijn blauwe T-shirt.

Op het binnenpleintje knorren twee fris gewassen biggetjes. En tijdens het interview schuiven steeds familieleden, buren en bekenden aan. Iedereen wil horen of nóg eens horen wat Antúnez in vredesnaam allemaal is overkomen. Soms mengen ze zich in het onderhoud om te vertellen hoe zíj, aan de andere kant van de tralies, deze periode hebben beleefd. Bijvoorbeeld als leden van het steuncomité dat onder aanvoering van zijn zus Berta Antúnez Peret en zijn schoonbroer Alejandro García Sardiñas jarenlang tevergeefs voor zijn vrijlating vocht.

Placetas is een typisch rustig Cubaans provinciestadje in het midden van het eiland. De mensen verplaatsen er zich voornamelijk met paard en wagen en met trapkarren. Even buiten de stad is deze zondagmiddag een feest gaande waar boeren rappen. Terwijl een orkestje steeds hetzelfde deuntje speelt, proberen mannen met grote hoeden elkaar kletszingend op rijm met geïmproviseerde teksten af te troeven.

Antúnez bezoekt ’s middags de groentemarkt. De man die volgens de regering een contrarevolutionair is, wordt opvallend vaak en hartelijk begroet door zijn stadgenoten. Het illustreert wat Antúnez eerder die dag vertelde. „Het is indrukwekkend om te zien hoe de mensen me omarmen. Één ding is in Cuba in ieder geval in positieve zin gewijzigd: er is een grote verandering in de mentaliteit van de mensen. Ze zijn trots op me omdat de burgers er zich van bewust zijn dat het meer dan ooit belangrijk is om te strijden voor democratie.

„Er is veel minder angst om te praten, om de dingen bij de naam te noemen. Dat gebeurde vroeger niet. Terwijl de repressie alleen maar is toegenomen. Ik ben vorige week in de hoofdstad Havana geweest en zag dat daar tegenwoordig op elke hoek van de straat een politieman staat.”

Antúnez ligt al een leven lang dwars. Hij heeft een diepgewortelde hekel aan het maken van ‘ongerechtvaardigd onderscheid’. De kiem van zijn strijdbaarheid ligt in de discriminatie die hij naar eigen zeggen, als zwarte Cubaan, al sinds zijn allerjongste jaren ervaart. Er is volgens hem veel racisme in Cuba.

Zijn politieke bewustwording werd verder gevoed toen hij als tiener voor het eerst de door de Verenigde Naties in 1948 aangenomen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens onder ogen kreeg. Vooral artikel 19 maakte indruk op de jonge Cubaan: „Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.”

Aan de vrije uitoefening van dat recht schort het volgens Antúnez nogal in Cuba. „Ik heb altijd gezegd wat ik vond. En dat maakte mijn leven niet gemakkelijk.”

Antúnez wordt wegens recalcitrant gedrag verwijderd van scholen. „Ik had al problemen als ik naar buitenlandse muziek wilde luisteren.” De overtuigd katholieke Cubaan krijgt naar eigen zeggen een officiële aantekening op zijn persoonsbewijs wegens diversionismo ideológico, politiek incorrect gedrag. Het maakt het voor hem onmogelijk normaal werk te vinden of te studeren. Om toch enige academische vorming te krijgen, begint hij aan een zelfstudie rechten met geleende boeken.

„Het was verschrikkelijk moeilijk om in die situatie te overleven”, zegt Antúnez. Maar het lukte. Hij dankt er zijn bijnaam aan: ‘Zwarte Diamant’. „Vanwege mijn huidskleur en vanwege mijn karakter. Een diamant is niet kapot te krijgen.”

Eigenschappen die Antúnez goed van pas komen als hij die donderdagmiddag in 1990 wordt opgesloten.

Fusilleren

De beschrijving die Antúnez geeft van het regime in de gevangenissen, is een lange aanklacht over psychische en fysieke mishandelingen. „We zullen wel eens zien, contrarevolutionair negertje, hoe dapper je werkelijk bent.” Het is een opmerking die hij naar eigen zeggen in verschillende varianten voortdurend te horen krijgt.

De gevangenschap wordt een uitputtingsslag tussen hem en de autoriteiten. „Ze waren meedogenloos tegen me maar ik ben me ook altijd onverzettelijk tegen hen blijven keren.

„In het begin wilden ze steeds weten of ik geen spijt had. Maar ik heb alleen spijt dat ik me niet eerder tegen het totalitarisme heb gekeerd. Ze dreigden dat ze me gingen fusilleren en dat ze mijn familie ook zouden opsluiten.

„Als ze niet blij waren met mijn verklaring, chanteerden ze me door mij geen eten te geven. Ik ben in cellen gestopt die geen dak hadden zodat je urenlang in de brandende zon stond. Omdat ik een ‘schijtneger’ ben, vonden ze dat het geen pas gaf om rechten op te eisen. Zwart zijn is namelijk een strafverzwarende omstandigheid in Cuba.

„Na een paar maanden cel kreeg ik de schriftelijke eis van de aanklager onder ogen. Hij eiste zes jaar celstraf. Uit protest ben ik toen een hongerstaking begonnen. Toen werd ik voor straf overgeplaatst naar een gevangenis met een nog beroerder regime. Ik moest naakt in een cel zitten, zonder water en zonder licht. Vanwege mijn hongerstaking mocht ik geen visite ontvangen. Na 21 dagen stierf ik bijna en werd teruggeplaatst naar de provinciale gevangenis.”

In juli 1990 volgt het proces. Antúnez weigert een advocaat omdat hij niet gelooft in de onpartijdige rechtsgang. De rechter veroordeelt hem wegens vijandelijke propaganda tot vijf jaar cel.

Twee jaar later wordt de zaak nog een stukje erger. Antúnez hoort dat zijn moeder stervende is. Hij krijgt geen toestemming haar te bezoeken. De Cubaan weet op 17 oktober 1992 te ontsnappen uit „een soort concentratiekamp” waar hij in die tijd werkt. Hij wil zijn moeder zien die op vijf kilometer afstand van het kamp woont.

Twaalf uur lang zit hij verstopt in het huis van een vriend. Dan wordt hij gevonden. „Ik werd geslagen en kreeg handboeien om. Toen lieten ze de opgehitste hond op me los.”

Antúnez krijgt wederom een proces. Nu moet hij zich ook nog verantwoorden voor ontsnapping en het volgens hem totaal verzonnen delict van sabotage. In het voorjaar van 1993 volgt een nieuwe veroordeling. Hij moet in totaal zeventien jaar celstraf uitzitten.

Als het vonnis wordt uitgesproken is zijn moeder, Alejandra García Pérez , trouwens al overleden. Ze sterft op 19 november aan een hartaanval. Volgens Antúnez is haar dood bespoedigd doordat de politie zijn doodzieke moeder kort na zijn ontsnapping liet weten „de zee rood met bloed van je zoon” te kleuren als ze niet zou zeggen waar hij was. Antúnez kreeg geen toestemming haar begrafenis bij te wonen.

Antúnez verkeert steeds tussen harde jongens. Met moordenaars en kinderverkrachters moet hij strijden wie in het onderste of in het – bloedhete – bovenste van stapelbedden voor drie personen mag slapen. „Maar ik ben steeds blijven proberen om ook de gewone gevangenen te mobiliseren in een strijd voor meer rechten. Ik heb pamfletten gemaakt met teksten waarin we om democratie vroegen. We smokkelden communiqués naar buiten over de misstanden in de gevangenis. En steeds weer werd ik overgeplaatst omdat ik te veel aanhangers maakte. Ik heb charisma. En zeker onder de zwarte gevangenen, die weliswaar een minderheid zijn in Cuba maar in de gevangenis een meerderheid vormen.”

In 1994 mobiliseert Antúnez vijfhonderd gevangenen voor een hongerstaking. De autoriteiten reageren direct. Het is de periode waarin Cuba door het wegvallen van de steun van de ineengeschrompelde Sovjet-Unie de grootste crisis uit zijn bestaan doormaakt. Het hele eiland lijdt honger. Maar binnen een paar dagen wordt er voor de gevangenen zelfs vlees geserveerd. Veel hongerstakers bezwijken voor die culinaire verleiding.

Ter gelegenheid van zijn dertigste verjaardag in datzelfde jaar – op 10 oktober (een cruciale dag in de Cubaanse geschiedenis in de strijd om de afschaffing van de slavernij) – organiseert Antúnez een nieuw protest onder de gevangenen. Ze zingen onder andere massaal het volkslied. Voor straf wordt hij die dag, zo zegt hij, met machetes geslagen.

Om te bewijzen dat hij niet overdrijft, trekt Antúnez zijn blauwe T-shirt uit en laat zijn broek zakken. Op zijn rug en armen zijn littekens te zien: decimeters lange, zwarte strepen. En de tanden van de hond die hem te pakken nam, zijn voor de eeuwigheid te zien op zijn linkerbovenbeen.

„Ik ben nu een lopend bewijs van de misstanden in dit land. Ik ben de andere kant van de communistische medaille.”

Af en toe lijkt het of er verandering gaat komen in de politieke situatie op Cuba. Bijvoorbeeld in 1998 als de paus het communistische eiland bezoekt. Voorafgaande aan dat bezoek laat de pauselijke nuntius in Havana aan de familie van Antúnez weten dat Johannes Paulus II persoonlijk zal vragen om de vrijlating van de Cubaan.

Uiteindelijk worden dat jaar inderdaad politieke gevangenen voortijdig vrijgelaten. Antúnez blijft vastzitten. „Tijdens dat pausbezoek hebben we nog met tweehonderd gevangenen een hongerstaking gehouden. Maar we zijn er nooit in geslaagd dat nieuws wereldkundig te maken.”

Afranseling

De dissident sleept zich van hongerstaking naar weer een nieuw protest. „Ik ben aan ijzeren palen vastgebonden en afgeranseld met stokken en gummiknuppels. Soms werden wekenlang de handboeien niet afgedaan. Op een gegeven plaste ik zelfs bloed omdat mijn gezondheidssituatie steeds verder verslechterde. Ik heb gek genoeg herhaaldelijk mijn leven in de waagschaal moeten stellen om mijn leven te redden.”

„Ik ben de andere kant van de communistische medaille”

De laatste negen jaar van zijn straf zit Antúnez bijna volledig in eenzame opsluiting. Want een van de effecten van het door hem voortdurend mobiliseren van medestanders en het vervolgens uit elkaar halen en overplaatsen van de gedetineerden is dat in alle gevangenissen verzetshaarden ontstaan. Maar alleen in zijn cel kan hij geen kwaad.

En als de autoriteiten hem niet mishandelen, dan doen andere gedetineerden dat wel. „Sommige gevangenen kregen te horen dat ze vaker intiem bezoek van hun vrouw mochten ontvangen als ze mij te pakken namen. Een medegedetineerde heeft op een dag mijn radiootje met een mes vernield. Dat vond ik het allerergste.”

Maar vorige maand kwam aan een ruim zeventienjarige nachtmerrie op een zondagochtend een einde. Te laat trouwens. „Ze hebben me nog 38 dagen langer laten zitten dan de straf die ik gekregen had. Het was hun manier om toch vooral nóg een keer te laten zien wie er in dit land de baas is.”

Het eerste dat de vrijgelaten Antúnez heeft gedaan, is het bezoeken van het graf van zijn moeder. Hij woonde tot zijn arrestatie met haar samen. En ook al staat op zijn net nieuw gekregen identiteitsbewijs nog steeds het adres van het ouderlijke huis, in werkelijkheid is het pand na het sterven van zijn moeder toegewezen aan een ander gezin. Antúnez is bij zijn zus ingetrokken maar kondigt aan de komende tijd alles in het werk te zullen stellen om het eigen familiehuis weer te kunnen betrekken.

En zo hoopt Jorge Luis langzaam weer zijn weg te vinden in het socialistische museum waar hij via een penitentiaire tijdmachine in is beland. Een communistische warenkast die, zo is hem opgevallen, zich van een behoorlijke inkomstenbron verzekerd weet dank zij de ruim twee miljoen buitenlandse bezoekers die Cuba jaarlijks ontvangt.

Het leidt tot een rare situatie. De rijke toeristen uit het kapitalistische westen zitten op het communistische eiland exclusief op de eretribune. Ze slapen in de beste hotels, eten in de beste restaurants en kunnen al die dingen kopen die verreweg de meeste Cubanen nooit kunnen betalen. Ze staan als bedelaars te kijken naar die Canadezen, Europeanen en zelfs Amerikanen die er in dat eigenaardige socialistische decor eens even helemaal uit zijn.

Tweedeling

„De buitenlandse toeristen zijn de eigenaren van Cuba geworden”, zegt Antúnez. „Hun aanwezigheid heeft er mede toe geleid dat er in Cuba nu sprake is van een enorme sociale tweedeling en grote sociale problemen. Voordat ik de gevangenis in ging, was de dollar verboden. Nu heb je in Cuba gewone pesos voor de Cubanen en zijn er convertibele pesos (CUC, die ongeveer 24 gewone pesos waard is) die de buitenlanders moeten aanschaffen.''

„Ik vergaap me in die winkels die vol liggen met fraaie producten. Maar die kun je alleen betalen met de CUC-munten en die hebben normale Cubanen niet. Alleen de rijke, geprivilegieerde kaste van Cubaanse bestuurders vaart wel bij deze situatie.”

Het huidige systeem heeft volgens de politieke dissident grootscheepse corruptie veroorzaakt. „Vrouwen prostitueren zich om bij te verdienen, er wordt veel gestolen en jongeren gebruiken allerlei soorten drugs. Allemaal zaken die voor 1990 niet of nauwelijks bestonden. En dat leidt weer tot krankzinnige repressie. Er is nu zo veel armoede dat mensen soms een fiets of een kip stelen van de buren. In een normaal land krijgt een pleger van zo’n vergrijp een boete maar hier veroordelen ze je voor zoiets tot acht jaar cel.”

Antúnez zal zich de komende tijd inzetten voor het lot van de politieke gevangenen in Cuba. Dat zijn er volgens hem ongeveer vijfhonderd en niet driehonderd, zoals de Cubaanse regering zegt. In die groep zit ook de langst zittende Cubaanse politieke gedetineerde: Arturo Suárez Ramos. Hij zit een straf uit van dertig jaar omdat hij in 1987 samen met anderen een Cubaans vliegtuig probeerde te kapen om het land te ontvluchten. Bij die poging tot kaping raakten passagiers gewond.

Antúnez heeft zijn actiegroep vernoemd naar de Cubaanse dichter en dissident Pedro Luis Boitel. De man die zich keerde tegen Fidel Castro – en diens voorganger dictator Batista – stierf in 1972 op 41-jarige leeftijd in Cubaanse gevangenschap na mishandelingen en een hongerstaking. De Boitel-club zal zich sterk maken voor (ex-)politieke gevangenen maar ook voor gewetensbezwaarden, verdedigers van mensenrechten of voor hen die veroordeeld zijn wegens het plegen van geweld tegen de dictatuur.

Via het in het geheim naar buiten smokkelen van aantekeningen van Antúnez over de misstanden in de Cubaanse gevangenissen kon twee jaar geleden in Argentinië het boek Boitel Vive (Boitel leeft) worden uitgegeven.

In de proloog van het boek vraagt de aanvankelijke medestrijder van Fidel Castro en latere gevangen gezette dissident Húber Matos internationale organisaties en democratische regeringen om hun onverschillige houding te laten varen. Door hun zwijgen kunnen Cubaanse tirannen al bijna vijftig jaar een volk gegijzeld houden, aldus Matos, die Antúnez een voorbeeldige en dappere Cubaan noemt.

Is Antúnez niet bang weer te worden opgepakt?

„Het lijkt me verschrikkelijk als ik opnieuw naar de gevangenis zou moeten. Maar als het moet, dan moet het. Ik zal me blijven inzetten voor meer democratische rechten voor het hele Cubaanse volk. De enige werkelijke angst die ik heb is dat ik ooit angst zal krijgen om door te gaan.”

Meer berichtgeving over Cuba: www.nrc.nl/tango