De brutale koolmees verschilt genetisch van de voorzichtige vogel

Nieuwsgierigheid en ondernemingszin zitten in de genen, althans bij koolmezen (Parus major). Dat blijkt uit onderzoek van Nederlandse en Duitse biologen aan de genen voor de zogeheten dopaminereceptoren van koolmezen. Deze receptoren zijn in de hersenen betrokken bij de informatieoverdracht, doordat zij gevoelig zijn voor de zenuwsignaalstof dopamine. Mezen met een bepaalde éénlettermutatie in een van die genen, het Drd4-gen, blijken veel eerder dan hun soortgenoten op onderzoek uit te gaan, en zijn een stuk minder bang voor vreemde objecten in hun omgeving (Proceedings of the Royal Society B online, 2 mei).

Onderzoekers Kees van Oers en Piet Drent van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) in Heteren vingen koolmezen in de Nederlandse natuur en kweekten daaruit twee lijnen, waarbij ze de ene selecteerden op terughoudend gedrag en de ander op nieuwsgierig gedrag. In de vierde generatie waren er grote verschillen in gedrag tussen de twee lijnen. De onderzoekers toonden eerder al aan dat dit verschil in ieder geval deels genetisch moest zijn. Nu blijkt er tussen deze twee lijnen een belangrijk verschil te zitten in het dopaminereceptorgen Drd4.

Het is niet toevallig dat de onderzoekers juist dit gen bestudeerden. Bij mensen is Drd4 eerder aangewezen als het Novelty Seeking-gen, waarvan assertieve personen een afwijkende variant bezitten. Drd4 is bij mensen ook in verband gebracht met een grotere neiging tot verslaving, hyperactiviteit en een grotere behoefte aan seks. Maar het blijkt in de gevarieerde menselijke populatie met zeer uiteenlopende levenservaringen die eveneens van invloed zijn op het gedrag, zeer lastig te bewijzen dat hier de genetische invloed van Drd4 in het spel is.

Zo niet bij koolmezen. De onderzoekers identificeerden in het Drd4-gen van de vogels 73 verschillen (7 grote veranderingen en 66 éénlettermutaties, zogeheten SNP’s). Daarvan bleek één SNP, op positie 830 in het gen, duidelijk samen te hangen met verschillen in gedrag. Behoedzame mezen hadden op deze plek meestal de genetische letter C, terwijl brutale mezen hier vaak de letter T hadden. Voor de aminozuursamenstelling van het receptoreiwit maakt die mutatie niets uit, beide varianten coderen voor het aminozuur arginine. De onderzoekers vermoeden dat het op een andere manier de activiteit van het gen beïnvloedt. De genvariant met de T op positie 830 bleek dominant.

De onderzoekers hebben met dna-onderzoek laten zien dat het verband tussen Drd4-genvarianten en nieuwsgierig gedrag ook bestaat bij wilde koolmezen in Nederland.

Sander Voormolen