De Beleidsindustrie en het Leven

Redacteur NRC Handelsblad

De gemeente Sneek stimuleert buurtbewoners om elkaar beter te leren kennen. Elke straat, wijk of buurt die een ontmoetingsactiviteit organiseert, kan rekenen op een extraatje van 125 euro uit de kas van de gemeente. Al meer dan 25 straten hebben zich opgegeven voor de subsidie uit het project ‘Effe Buurten’. De meeste buurtbewoners gebruiken het geld om een straatbarbecue te organiseren. De gemeente hoopt dat buren elkaar op deze manier beter leren kennen en dat mensen zich daardoor meer met elkaar verbonden voelen.

Deze vlotgeschreven eerste alinea is in z’n geheel afkomstig uit een brief die de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en port op 11 april naar de Tweede Kamer stuurde. Het was de voortgangsrapportage over de 1 januari van kracht geworden Wet maatschappelijke ondersteuning. Niet zomaar een wet, want daarin wordt ook geregeld hoe mensen aan thuiszorg en een rolstoel komen wanneer zij ziek of oud of allebei zijn.

In januari ontstond heibel toen bleek dat gemeentes – als uitvloeisel van de mee-opgelegde vermarkting van de zorg – schoonmaakbedrijven contracteerden om tegen een concurrerend tarief thuiszorg te leveren. Mensen raakten hun vertrouwde hulp kwijt of kregen een schoonmaakster om hun steunkousen op te hijsen, of zij voldeden opeens niet meer aan de criteria voor uitgebreidere hulp aan huis. Het indicatiecircus was opnieuw opgetuigd.

De Wet maatschappelijke ondersteuning wil meer. De burger als cliënt wordt ondersteund in zijn menszijn. De Nederlandse maakbaarheidsdroom leeft. Waar de straatbewoners in Sneek met WMO-geld mogen pilsen om elkaar te leren kennen. In de Watergraafsmeer (Amsterdam-Oost) rijdt onder het toeziend oog van de staatssecretaris een oude bakkerswagen rond om steeds op weer andere plekken een ‘instant terras’ uit te laden, voor anderhalf uur. Opdat „mannen, vrouwen, oud, jong, van alle nationaliteiten en religies bij elkaar aan tafel” gaan zitten. ‘Bakkie in de Buurt’ heet het project, leve de WMO.

De staatssecretaris meldde opgetogen dat eind januari in Rotterdam een congres werd gehouden over de nieuwe wet. „Ruim 1.600 vertegenwoordigers van gemeenten, cliëntenorganisaties, welzijns- en thuiszorgaanbieders, aanbieders van maatschappelijke opvang, woningcorporaties, vrijwilligers, mantelzorgers, kerken en moskeeën, departementen en vele anderen waren aanwezig.” Het centrale thema van de dag was „samenwerking, verbreding en verbinding van de diverse prestatievelden van de WMO en de aanpalende beleidsterreinen”.

Je ziet het voor je, honderden papierschuivers uit de WMO-industrie, gezellig bij elkaar om over verbreding en verbinding te babbelen. Geen bejaarde heeft er last van gehad – deze vergaderaars komen toch nooit billen afvegen. Zij werken over om met ‘inhoudsdeskundigen’ hun prestatievelden te ‘benchmarken’. Onafhankelijke bureaus bieden daarvoor weer andere trainingen en trajecten.

Het leven in dit land wordt overwoekerd door een algensoort die bureaucratisch gedrag en vrijemarktdenken verenigt, overgoten met een welzijnssausje uit de jaren ’70. De WMO is het speelgoed van adviesbureaus en beleidsafdelingen, maar de wet gaat vooral over het lenigen van zeer reële noden van burgers. De echte zorgwerkers doen hun best wat te maken van een nieuwe wet, die veel overhoop haalt en van alles tegelijk wil.

Hoe kon het zo ver komen? Waarom vaardigt de wetgever zulke ingewikkelde, onbeproefde wetten uit? In de Eerste Kamer wordt dinsdag een studie van Teresa Cardoso Ribeiro gepresenteerd die heeft trachten vast te stellen of bij het maken van nieuwe wetten, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, wel goed wordt nagedacht over de werkelijkheid. Over het probleem dat men wil oplossen, over de vraag of wetgeving daar het meest geschikte antwoord op is, en vooral of gebruik is gemaakt van de kennis van degenen die de wet moeten gaan uitvoeren.

Het onderzoek is een vervolg op een motie-Van Thijn die de regering in 2004 vroeg uitvoerders te raadplegen voor men in een wet van alles regelt. In dat jaar had de Rekenkamer in zijn rapport ‘Tussen beleid en uitvoering’ al gemeld dat het vaak gissen blijft of overheidsbeleid enige bijdrage levert aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Nu blijkt dat de meeste ministeries het verzoek van de Eerste Kamer vooral juridisch hebben verwerkt, alsnog een formaliteit, niet als een essentiële ‘reality check’.

Beleid, al of niet in wetgeving vastgelegd, is nog steeds een ingewikkelde partij papierverplaatsen die te vaak geen oog heeft voor uitvoerbaarheid, laat staan voor resultaat. In dat opzicht sluit dit onderzoek naadloos aan bij de inleiding op het onlangs verschenen Jaarverslag 2006 van de Raad van State. Daarin wijst vicepresident Tjeenk Willink op de voortgeschreden taakverwarring van diverse politieke hoofdrolspelers, waardoor niemand helemaal doet wat ie doen moet.

Voor ieder vraagstuk wordt beleid bedacht. Maar de staat moet ook kleiner worden, waarbij de markt nog steeds het favoriete reisdoel is. De politiek schrikt terug voor normatieve oordelen en grijpt naar cijfers. De Tweede Kamer doet graag mee aan beleid en verwaarloost zijn controlerende en medewetgevende taak. Deskundigheid doet er minder toe. Daarmee heeft de politiek de staat van essentiële taken én competenties beroofd.

Nu zitten we met een staat waarvan veel wordt verwacht, maar die steeds minder kan. „De natie-staat was misschien altijd meer natie dan staat”, schrijft Tjeenk Willink in zijn jaarverslag. „Dat leidt tot problemen wanneer niet alleen de staat moet terugtreden maar ook het gevoel één natie te vormen onder druk staat.” Een minder geloofwaardige overheid die zich voor steeds ingewikkelder opdrachten stelt in een steeds verbrokkelder land, is gedoemd teleurstellingen te oogsten.

In een brief aan de Vaste commissie Binnenlandse zaken van de Eerste Kamer, die dinsdag rapporteert, concludeert de vicepresident: „In eerste en laatste instantie moeten de Staten-Generaal zichzelf kritisch afvragen of onuitvoerbare wetgeving ooit zal worden tegengehouden als de politieke werkelijkheid van regeerakkoord en coalitiebelang die wetgeving toch noodzakelijk maken. Als het eerlijk antwoord daarop is: zelden, dan heeft het niet veel zin (nog) meer informatie van uitvoerders te krijgen, maar moet eerst het onafhankelijke functioneren van het parlement zelf aan de orde komen.”

Uitvoerders vooraf raadplegen is mooi, maar het zal de politieke klasse moeten zijn die een heldere en meer zelfstandige taakvervulling voor de Tweede Kamer durft te zoeken. Opdat het Leven weer wat heeft aan het Beleid.

opklaringen@nrc.nl