Brandgrens

Bijna zeventig jaar na het bombardement wordt maandagavond in het centrum van Rotterdam de grens aangegeven tot waar de bommen vielen. Eenmalig, met ruim honderd grote lichtbundels.

In het jaar dat Rotterdam zijn 600-jarig bestaan zou vieren, werd de historische binnenstad op 14 mei 1940 door 97.000 kilo Duitse brisantbommen verwoest. Wat in eeuwen was opgebouwd, werd in tien minuten vernietigd. De brandbommen zetten de stad in lichterlaaie, een verterend vuur loeide door straten, huizen en gebouwen. Waar het vuur stopte, ontstond de brandgrens, die de overgang tussen vóór en na, tussen oud en nieuw Rotterdam zou markeren. Toen een half jaar later het puin was geruimd en op stapels gezet, leefden de Rotterdammers in een stad die er niet meer was. De vertrouwde dingen uit het dagelijks leven waren weg: opschriften van winkels, straathoeken, uithangborden, etc. Op de Coolsingel stonden het Stadhuis, het Postkantoor, een hotel en een warenhuis nog overeind.

Vier dagen na het bombardement werd al vergaderd over de plannen voor de wederopbouw. Niet door de bestuurders, maar door de havenbaronnen en industriëlen, die altijd al de dienst in de havenstad hadden uitgemaakt. Plaats van bijeenkomst: het directiekantoor, bijgenaamd ‘de bonbondoos’, in de Van Nelle fabriek, waar directeur Van der Leeuw de vergadering voorzat. Daar werd beslist dat de binnenstad een zakencentrum, een city naar Amerikaans voorbeeld zou worden.

Stadsarchitect Witteveen ontwikkelde een plan dat hij in 1941 presenteerde. Hij bepleitte restauratie van het stramien van het oude stratenplan van de binnenstad, of herkenbare herbouw. Maar dat was niet helemaal de bedoeling. Witteveen werd min of meer opzij gezet (hij nam in 1945 ontslag) en zijn assistent Van Traa maakte een nieuw plan, in feite niets meer dan een nieuw stratenplan met brede wegen en kavels voor de bouw van bankgebouwen, winkels, warenhuizen en bedrijfspanden. Zo kregen de navolgers van het Nieuwe Bouwen vrij baan om hun dozen van glas en beton en andere Siberische tochtgaten te realiseren en, zoals de Rotterdamse architect Bakema het zei: „aan de schepping van nieuwe maatschappelijke ordeningen mee te werken”.

De meeste gebouwen die het bombardement hadden overleefd en konden worden hersteld, werden omwille van het wederopbouwplan afgebroken. Het heeft maar een haar gescheeld of men had de ruïne van de Laurenskerk gesloopt omdat die in de weg stond. De Coolsingel, voor de oorlog een kosmopolitische boulevard, hoofdstraat van een drukbevolkt gebied met handelshuizen, theaters, bioscopen, dancings en grands cafés, werd een verkeersweg waar na zessen een kanon kon worden afgeschoten. Een straat waar nu nog niemand woont.

De voormalige bewoners van de binnenstad werden naar de buitenwijken en verder verwezen. Tienduizenden Rotterdammers hebben decennia bij familie ingewoond, of vonden plek in een veelal onbewoonbaar verklaarde ‘halve woning’.

Het heeft lang geduurd voordat het besef doordrong dat een binnenstad meer is dan een verzameling bedrijfsgebouwen en toevoerwegen. Momenteel is de brandgrens weer enigszins zichtbaar omdat op verschillende plaatsen de wederopbouwgebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor de wolkenkrabbers van een nieuwe maatschappelijke ordening.

Naar een aangenomen motie van Manuel Kneepkens, voorman van de inmiddels verdwenen Stadspartij, zal de brandgrens op de een of andere wijze worden gemarkeerd. Aanstaande maandag wordt bekendgemaakt hoe dat zal gebeuren. De wens van de initiatiefnemer is een eenvoudige markering in het plaveisel. Te vrezen valt dat we daar in de postmoderne architectuurstad niet mee weg komen.