Blair liet de brug over het Kanaal neer

Het tijdperk van Tony Blair is ten einde. Aan het hoofd van een gemoderniseerde Labour-partij werd hij drie keer tot premier gekozen. Zijn kordate optreden na de dood van prinses Diana en na de aanslagen in New York en in Londen verenigde de Britten. Maar de oorlog in Irak, die hij wilde en kreeg, verdeelt het land en holde zijn effectiviteit uit.

Op 27 juni zal hij daarom vertrekken uit Downing Street, waar hij ruim tien jaar woonde. Blair (54) maakte zijn vertrek deze week bekend in een bevlogen speech over het land dat hij achterlaat en de uitdagingen in de wereld eromheen. Met een scheutje Thatcher, een vonkje Gladstone, een snufje Shakespeare en een wolkje goed gespeelde deemoedigheid. Blair zei sorry – geen woord dat hij vaak gebruikt – voor zijn tekortkomingen, maar hij nam niets terug van zijn besluit president Bush te steunen bij diens pogingen de wereld te verlossen van Al-Qaeda, de Talibaan en Saddam Hussein, ondanks de voorspelde eruptie van terreur die erop volgde.

Hij kwam aan de macht als pragmaticus, maar uiteindelijk werd hij geleid door de onwankelbare overtuiging to do the right thing, al viel de halve wereld over hem heen. Dezelfde bezieling waarmee hij ‘Irak’ doordrukte, bezorgde hem eerder wereldwijd bewondering. Ook de vorming van de Noord-Ierse regering van voormalige aartsvijanden komt eruit voort. In 1999 doorbrak hij de impasse in Kosovo met een ‘humanitaire interventie’ – geweld voor een goed doel. De Amerikanen gingen om na Blairs rede waarin hij betoogde dat „genocide nooit een binnenlandse aangelegenheid mag zijn’’.

De aanslagen in New York bewezen volgens hem niet alleen de kwetsbaarheid van moderne democratieën met hun open grenzen, maar boden ook een kans wereldwijd het terrorisme een voedingsbodem te ontnemen, bijvoorbeeld door armoede te bestrijden en democratie te vestigen. En passant schetste hij zo ook voor minder ambitieuze sociaal-democraten in andere landen een internationaal perspectief.

Het is jammer dat Blair de special relationship met de VS niet heeft benut door concessies te bedingen, bijvoorbeeld een bredere juridische basis voor een aanval op Irak, of een deugdelijk plan voor na de oorlog. Irak heeft ook de betrekkingen met het continent geschaad. Na twee decennia ruzie en ambivalentie werd de toekomst van Europa met Blair opnieuw een Britse zaak. Te vaak hadden de Britten grote stappen in de integratie aan zich voorbij laten gaan, om later alsnog mee te doen en te ontdekken dat het niet langer op hun eigen voorwaarden kon.

Blair liet de brug over het Kanaal neer. Niet dat het pond werd opgeheven – daarvoor hielden de Britten te veel van hun eilandstatus en ook omdat de Britse economie buiten de euro prima draaide. Maar in het debat over uitbreiding en hervorming van de Unie werd Blairs Brittannië een betrokken medespeler. Zijn invloed nam af na bittere botsingen met de Franse president Chirac over Irak. De kans om Europa met één stem over Irak te laten spreken, liet hij voorbijgaan.

Tot Blair waren Labour-regeringen korte entr’acts in een Conservatief theater. Labour regeert nu tien jaar, langer dan ooit. Dat kon omdat Blair en zijn beoogde opvolger, Gordon Brown, de partij naar het politieke midden dwongen. Met de belofte de belastingen laag te houden en de hervormingen van het Thatcher-tijdperk intact te laten. Dat stelde de middenklasse gerust. En door eindelijk de nodige miljarden te investeren in het verveloze ziekenfonds en het openbaar onderwijs te moderniseren. Op het rendement valt af te dingen, maar de meeste Britten zijn in veel opzichten nu beter af – rijker, klassenlozer, zelfverzekerder. Dat het debat in de meest multiculturele samenleving van Europa na de aanslagen van ‘7/7’ niet uit de hand liep, wijst daar ook op. Evenals de – broze – consensus van Schotten, Ieren en Welshmen binnen de Unie.

Blairs ‘derde weg’, die economische doelmatigheid aan sociale rechtvaardigheid koppelde, is nu ook bij de Tories de norm. De vraag hoeveel de staat aan de markt durft over te laten, is een kwestie van nuances geworden. Misschien blijkt dat zijn echte erfenis: Blair heeft de Conservatieve Partij hervormd. Zo bezien is zijn tijdperk nog niet ten einde.