Zo ver weg en toch zo dichtbij

Kennis van andere beschavingen is in toenemende mate noodzakelijk om de wereld waarin wij leven te kunnen begrijpen. De nieuwe ‘global history’ speelt daarop in – voorbij het westerse én het anti-westerse perspectief.

John Darwin: After Tamerlane.The Global History of Empire. Allen Lane, 575 blz. € 42,99

Wereldgeschiedenis is tegenwoordig een bloeiende en populaire tak van de historische wetenschap. Jared Diamonds Guns, Germs and Steel (1997) is een wereldwijde bestseller; de ondertitel, ‘A Short History of Everybody for the Last 13.000 Years’, roept het idee op dat deze geschiedenis het verhaal van ‘ons allemaal’ is. In een tijd waarin de mensen ervaren dat hun leven steeds meer geraakt wordt door wat elders op de wereld gebeurt, zijn de nationale en Europese geschiedenis, die traditioneel in het onderwijs de boventoon voeren, niet meer afdoende. Kennis van de geschiedenis van andere civilisaties is in toenemende mate noodzakelijk om de wereld waarin wij nu leven te begrijpen. China is nog altijd exotisch en ver weg, maar het is ook een opkomende macht in de economie en de wereldpolitiek, en dus dichtbij. De huidige belangstelling voor wereldgeschiedenis heeft iets te maken met deze gevoelsmatige spanning tussen ‘ver weg’ en ‘dichtbij’.

Maar ook met de fascinatie met ‘grote vragen’. Zo werpt Diamond de vraag op waarom de vroege grote civilisaties allemaal in de Oude Wereld ontstaan zijn, en niet, of pas veel later, op het Amerikaanse continent. En hij komt met een redelijk overtuigende verklaring voor deze structurele ongelijkheid in de wereldgeschiedenis. Volgens hem waren het ecologische en sociaal-geografische factoren, zoals de beschikbaarheid van domesticeerbare dieren en de aanwezigheid van meerdere concurrerende samenlevingen in uitgestrekte, van oost naar west lopende klimaatzones, die de doorslag gaven.

Diamonds boek past in een trend. De laatste twintig jaar wordt wereldgeschiedenis in een nieuw perspectief onderzocht en geschreven. In de Engelstalige wereld typeert men deze wisseling van perspectief als de overgang van ‘world history’ naar ‘global history’. De oude wereldgeschiedenis, waarvoor Arnold Toynbees beroemde Study of History (1934-1961) model kan staan, behelsde een overzicht van de ontwikkeling van alle belangrijke civilisaties in de geschiedenis van de mensheid. Toynbee streefde bewust naar volledigheid. In een encyclopedisch werk van twaalf massieve delen passeerde de gehele beschavingsgeschiedenis van de mensheid de revue. Het werk van de belangrijkste wereldhistoricus van de periode na 1945, de Amerikaan William McNeill, kondigt de overgang naar global history reeds aan. McNeills grote werk, The Rise of the West. A History of the Human Community, verscheen in 1963. Het was een enorm succes. Net als Toynbee wil McNeill een volledig overzicht geven, vanaf het eerste begin tot aan de huidige tijd. Maar zijn opzet is totaal anders. Waar Toynbee zich hoofdzakelijk bezighield met de interne ontwikkeling van zijn negentien grote beschavingen, zoekt McNeill de dynamiek van de wereldgeschiedenis juist in de conflicten en uitwisselingen op de grenzen tussen civilisaties. Die leveren de macrostructuur van zijn wereldgeschiedenis. Het patroon van deze structuur verandert in de loop van de tijd. Dat geeft meer samenhang aan zijn boek, en maakt het ook leesbaarder dan Toynbees volumineuze overzichtswerk.

Later heeft McNeill zelf twee kritiekpunten op zijn eigen boek naar voren gebracht. Ten eerste was het toch nog te eurocentrisch, en zou hij nu de centrale rol van China in de periode 500-1500 meer benadrukken. Het tweede punt is methodisch. McNeill zou nu het vloeiende, open karakter van civilisaties meer beklemtonen. Uiteindelijk zijn civilisaties geen ‘dingen’ met scherp afgebakende grenzen, maar constructies waarmee de historicus een ordening aanbrengt in de oceaan van historische gegevens. De primaire gegevens zijn de wereldwijde contacten, conflicten, migraties, ideeën en cultuurstromen. Wat wij civilisaties noemen, zijn onderdelen van het wereldnetwerk die in kortere of langere tijdvakken door politieke en symbolische macht bijeen gehouden worden. Niet minder, maar ook niet meer.

De huidige global history is de geschiedenis van wereldwijde verbanden en interacties. Met de oudere wereldgeschiedenis deelt deze aanpak de kritiek op het eurocentrisme, maar het antwoord is niet langer het ‘volledige’ overzicht van de ontwikkeling van alle volkeren en culturen. Historici kiezen voor transnationale en transcontinentale verbindingen: handel, migratie, cultuurverspreiding en opkomst en ondergang van imperia. Anderen doen vergelijkend onderzoek naar uiteenlopende thema’s als staatsvorming, intellectuele innovaties ofde rol van religies.

Het aardige is dat zo’n aanpak de geschiedenis in veel gevallen overzichtelijker maakt. Een goed voorbeeld is de rol van de steppevolkeren in de geschiedenis van Eurazië. In de traditionele Europese geschiedenis doken de Hunnen, de Magyaren en de legers van Genghis Khan als ‘woeste horden’ uit het niets op. Tegenwoordig is het gebruikelijk de migraties van de steppenomaden in verband te brengen met de push- en pull-factoren die over de gehele breedte van Eurazië werkten. Zo worden de westwaartse bewegingen van de nomaden verklaarbaar uit de druk van het expanderende China, een verband waar voor het eerst op werd gewezen door de excentrieke Amerikaanse historicus Frederick Teggart (Rome and China, 1939). Ook het beeld van woeste galopperende ‘horden’ is inmiddels gecorrigeerd. De militaire coördinatie over grote afstanden waartoe de Mongoolse legers in staat waren, werd in Europa pas in de late 19de eeuw geëvenaard. Tenslotte is er meer waardering voor de positieve, ‘vreedzame’ rol die de steppe-imperia speelden in het faciliteren van de communicatie tussen het oosten en het westen van Eurazië. De kunsthistoricus Rudolf Wittkower sprak al dertig jaar geleden van de Pax Mongolica (Allegory and the Migration of Symbols, 1977).

De voorbeelden van Teggart en Wittkower demonstreren dat deze manier van globaal-historisch kijken niet gisteren ontdekt is. Wat nieuw is, is de opkomst van een historische subdiscipline met dit perspectief als onderzoeksprogramma. Een belangrijke indicatie daarvoor is de lancering van nieuwe tijdschriften. Het Journal of World History bestaat al weer zeventien jaar. Vorig jaar kreeg het gezelschap van het nieuwe Journal of Global History. In het eerste nummer schrijft de Britse historicus Patrick O’Brien: ‘Everything has its history, and nearly everything has a global history as well.’ Dat levert een vrijwel onbegrensd onderzoeksveld op.

John Darwins After Tamerlane, over de ‘global history of empire’, past in de nieuwe trend. Zijn thema is de rol van imperia in de wereldgeschiedenis van 1400 tot op heden. Darwins verhaal begint met de ondergang van het laatste grote centraal-Aziatische imperium, het rijk van Timurlenk (‘Tamerlane’), waaraan het boek zijn titel ontleent. Alle belangrijke imperia in de geschiedenis van Eurazië passeren vervolgens de revu: het Ottomaanse Rijk, de Savafiden in Iran, de Mughals in India, China van de Ming tot aan de val van het keizerrijk, het Britse wereldrijk, en de pogingen van de Sovjet Unie, nazi-Duitsland en keizerlijk Japan om op hun beurt de hegemonie over grote delen van de wereld te verkrijgen. Alle imperiumbouwers hoopten dat hun rijken het eeuwige leven zouden hebben. Ze faalden allemaal. Darwin besluit zijn boek met een korte beschouwing over de toekomstperspectieven van het huidige Amerikaanse imperium in het licht van de opkomst en ondergang van imperia in de voorafgaande 600 jaar.

Het tijdvak van de 15de tot de 20ste eeuw wordt traditioneel getypeerd als de ‘Era van Europa’ in de wereldgeschiedenis. De opkomst van de markteconomie, de militaire en administratieve ontplooiing van de Europese staten en de groei van wetenschap en techniek, vaak samengevat in de term ‘modernisering’, gaven het verhaal van Europa of, nog ruimer genomen, het Noord-Atlantische ‘Westen’, een haast dwingende logica. De koloniale rijken van de 19de eeuw verschijnen zo als het logische sluitstuk van een geschiedenis die vanaf de late15de eeuw nog maar één kant op kon gaan. De 20ste- eeuwse wereldoorlogen leidden weliswaar tot de ondergang van het koloniale bestel, maar het Westen, nu met Amerika als machtscentrum, was rijk en vitaal genoeg om ook na 1945 te functioneren als een informeel imperium op wereldschaal.

Darwin zet grote vraagtekens bij dit finalistische beeld van de moderne geschiedenis. Ten eerste wordt de Europese suprematie van de late 19de eeuw veel te gemakkelijk teruggeprojecteerd op de vroeg moderne tijd. Met uitzondering van enkele delen van Brits-Indië waren de Europese koloniën in Azië en Afrika voor 1800 niet veel meer dan handelsnederzettingen en militaire bases aan de kusten. Nergens waren de Europeanen bij machte het bestuur over grote landmassa’s aan zich te trekken. De settler-koloniën in Amerika, en later in Australië en enkele delen van Afrika, ontwikkelden zich volgens een ander patroon. Hier stuitten de Europeanen niet op gevestigde sterke staten, zodat ze de oorspronkelijke bevolking konden verdringen of uitroeien om vervolgens overzeese volksplantingen te stichten. Darwin noemt de vestigingen die zo ontstonden ‘neo-Europa’s’, maar hij waarschuwt ervoor hun omvang niet te overschatten. In 1800 waren er in geheel Amerika minder dan vier miljoen Europeanen. De uit Afrika geïmporteerde slaven waren veel talrijker. Pas in de loop van de 19de eeuw kreeg de emigratie naar de Amerikaanse neo-Europa’s een grotere demografische betekenis. In het perspectief van de Amerikaanse natives lag het uiteraard heel anders. Voor hen was het een catastrofe.

Een tweede punt van kritiek betreft de macht van Europa. Het terugprojecteren vanuit de 19de eeuw produceert gemakkelijk een anachronistisch beeld van de vier eeuwen daarvoor. Een geïnformeerde, onpartijdige waarnemer zou omstreeks 1400 waarschijnlijk voorspeld hebben dat de economische en politieke kracht van China verder zou toenemen en dat het Chinese Rijk in de afzienbare toekomst de dominante macht in Eurazië, en daarmee in de wereld, zou blijven. Het is goed denkbaar dat zo’n waarnemer de islamitische wereld de tweede plaats op zijn ranglijst had gegeven, terwijl Europa pas op de derde plaats was gekomen. De islamitische wereld strekte zich toen uit van Noord-Afrika tot India en de binnen-Aziatische grenzen van China. De grootste en rijkste steden op aarde lagen in China en in de wereld van de islam. China was bovendien het land waar de ambachten en de technologie de hoogste graad van perfectie hadden bereikt. Darwin erkent dat de maritieme expedities van de Europeanen vanaf het einde van de 15de eeuw grote betekenis hadden, maar dat hadden ze vooral omdat de keizer in 1431 een einde maakte aan de maritieme expansie van China in de Indische Oceaan. De Chinese schepen die omstreeks 1420 onder admiraal Cheng-ho naar India en Afrika voeren, waren groter dan alles wat de Europeanen toen konden bouwen. Aan de technologie lag het dus niet. Het was een politieke beslissing, ingegeven door het belang van de binnen-Aziatische grenzen, die de groei van China als zeemacht in de kiem smoorde.

Omstreeks 1750 was het nog geenszins een uitgemaakte zaak dat Europa de rest van de wereld economisch zou overvleugelen. Tot aan de 19de eeuw ontbrak het de Europeanen aan de middelen en de politieke wil om de ontwikkeling van de Afrikaanse en Aziatische staten meer dan marginaal te beïnvloeden. De ontwikkeling van Japan onder de Tokugawa en China onder de Manchu (Ch’ing) dynastie werd bepaald door wat er in Centraal en Oost Azië gebeurde. De westerse factor ging pas een rol van betekenis spelen na de Opiumoorlogen en de Amerikaanse interventie in Japan in het midden van de 19de eeuw. Hetzelfde geldt voor de Russische invloed in Centraal Azië.

Darwin betoogt dat de Europese expansie pas in de tweede helft van de 19de eeuw een enorme versnelling doormaakte. Hij verklaart dat uit twee factoren. De eerste is de industriële revolutie en de technologische sprong voorwaarts van spoorwegen, stoomschepen en de elektrische telegraaf. Het aardige is dat Darwins visie goed spoort met die van 18de-eeuwse critici van de Europese expansie, zoals Diderot en Raynal, die meenden dat de gigantische afstanden een wereldwijd imperium onbestuurbaar zouden maken. De tweede factor is het uitblijven van een grote intra- Europese oorlog. Deze factor laat zien dat de hele gang van zaken minder dwingend en ‘logisch’ was dan zij achteraf lijkt. Een catastrofe van het type Eerste Wereldoorlog had gemakkelijk eerder kunnen komen, en het is de vraag of de grote koloniale imperia er in zo’n geval wel gekomen waren.

Darwin wijst er met nadruk op dat de 20ste-eeuwse ontwikkeling van Eurazië niet alleen voortvloeide uit het succes van de Europese expansie maar evenzeer uit de naschokken van de Eerste Wereldoorlog. De eerste decennia van de 20ste eeuw, stelt hij, markeren het einde van het Ancien Regime over de gehele breedte van Eurazië. Zijn bespreking van de 20ste eeuw bevat vele treffende observaties, maar brengt niet veel nieuws, omdat de visie dat de twee wereldoorlogen het einde van de Europese imperia inluidden, reeds lang gangbaar is.

Darwin is er in geslaagd de Europese en westerse rol in de wereldgeschiedenis van de laatste zes eeuwen tot meer realistische proporties terug te brengen. Tot de late 19de eeuw verschilden de Europese imperia niet veel van de Aziatische. Pas daarna namen tempo en bereik van de Europese expansie zoveel sneller toe dat we van een kwalitatief nieuwe vorm van imperialisme kunnen spreken. Deze evenwichtige visie past in een global history die noch overdreven eurocentrisch noch overspannen anti-eurocentrisch is. Dat is winst.

Op twee punten stelt Darwins boek teleur. Hij vertelt weinig over de effecten van imperiaal bestuur op microniveau, terwijl daar nu veel literatuur over is. Zijn observaties over de geringe impact van Europa in de binnenlanden van Azië en Afrika zijn grotendeels wel aannemelijk, maar ze blijven abstract omdat hij de schijnwerpers nooit op het lokale niveau richt.

Een tweede manco is dat we maar weinig te weten komen over de culturele kant van de opkomst en het verval van de grote imperia. Darwin bewijst enige lippendienst aan Edward Saids kritiek op het ‘orientalisme’, de stereotype beeldvorming over het ‘statische en ondoorgrondelijke Oosten’ in de Europese literatuur, filosofie en wetenschap. Maar hij doet er niet veel mee. Zijn bespreking van de Europese discussies over de merites van expansie en imperium is uiterst summier, terwijl soortgelijke discussies in China, Japan en andere delen van Eurazië helemaal geen aandacht krijgen. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn geweest de debatten in de Europese Verlichting te vergelijken met de Chinese opvattingen over ‘hun’ barbaren (waaronder de Europeanen). Op dit punt blijft Darwin wél eurocentrisch. Hij vraagt zich niet af hoe de geschiedenis van de periode 1400-2000 eruit zou zien als we stelselmatig bronnen uit China, Japan of India zouden gebruiken. Ook besteedt hij maar weinig aandacht aan migraties, diaspora’s en de rol van transnationale en transcontinentale religieuze stromingen. De definitieve ‘global history of empire’ is nog niet geschreven.