Zij gaven de keizer niet wat des keizers was

Martin Goodman: Rome & Jerusalem. The Clash of Ancient Civilizations. Allan Lane, Penguin Books, 649 blz. € 42,40

Het jaar 70 was voor de joden een rampjaar. Onder aanvoering van de latere keizer Titus trokken de Romeinse legers na vier jaar van verbeten strijd Jeruzalem binnen en richtten een vreselijk bloedbad aan. Duizenden mensen vonden de dood. Voor de overlevenden was de verwoesting van de oogverblindende tempel van koning Herodes, die op de plaats was gekomen van de in 586 voor Christus door de Babyloniërs in de as gelegde oude tempel van Salomo, een grote vernedering. Om hun superioriteit te onderstrepen legden de Romeinen de joden ook nog een speciale belasting op: de fiscus Judaicus (‘Jodenbelasting’). Alle joden in het Romeinse rijk, ook vrouwen en kinderen, werden verplicht jaarlijks twee drachmen, het bedrag dat ze gewoonlijk betaalden aan de tempel in Jeruzalem, af te dragen voor het onderhoud van de tempel van Jupiter op het Capitool. Zo werden ze er duurzaam aan herinnerd dat hun God het had afgelegd tegen de goden van de Romeinen. De joden in Rome hadden het extra moeilijk. Als ze opkeken naar de zuidzijde van het Forum Romanum, zagen ze aan het begin van de ‘heilige weg’ de grote boog van Titus, een in het oog springend monument voor diens overwinning in de Joodse Oorlog.

Volgens Martin Goodman, hoogleraar joodse studies in Oxford, vormt de inname van Jeruzalem een cesuur in de relatie tussen joden en Romeinen. De tijd dat Romeinen begrip konden opbrengen voor de afwijkende levensstijl van de joden was voorbij. Romeinse gouverneurs hadden in Judea in het verleden soms behoorlijk huisgehouden en de Romeinen hadden zich er altijd over verbaasd dat joden alleen hun eigen God aanbaden en geen begrip aan de dag legden voor de vele Romeinse goden. Toch vormden de verschillen in levensovertuiging geen onoverkomelijke barrière om respect op te brengen voor de joodse zeden en gebruiken. Na de val van Jeruzalem verhardden de standpunten van de Romeinen zich. Afgaande op de uitspraken van literaire auteurs kun je zeggen dat de negatieve kanten van het jodendom veel meer aandacht kregen dan voorheen.

Goodman behandelt de lange geschiedenis van Rome en Jeruzalem op een erudiete en tegelijk onderhoudende wijze. Vanaf de eerste contacten in de 2de eeuw voor Christus tot de triomf van het christendom in de 5de eeuw volgt hij de belangrijkste gebeurtenissen op de voet. Hij beschrijft de oplopende spanningen tussen Romeinen en joden, die zich in 132 ontlaadden in de opstand van Simon bar Kosiba. De rebel kreeg veel aanhangers, maar na drie jaar werd de opstand neergeslagen, en werd op de puinhopen van het wederom verwoeste Jeruzalem door keizer Hadrianus een Romeinse stad gesticht waar joden zich niet in de omgeving mochten ophouden. Het verhaal wint aan duidelijkheid, omdat in aparte paragrafen de achtergronden van het escalerende conflict worden belicht, met mooie vergelijkingen van de levensstijlen van joden en Romeinen. Talrijke citaten van onder meer Flavius Josephus’ Joodse Oorlog, de Romeinse Geschiedenis van Cassius Dio en de Kerkgeschiedenis van Eusebius verlevendigen de tekst.

Een schrijver die de complexe verhoudingen tussen Rome en Jeruzalem behandelt, ontkomt niet aan de vraag of de vijandige houding die de Romeinen tegenover de joden ten toon spreidden uniek was of onderdeel van een beleid dat erop gericht was alle onderworpen volkeren met een oude beschaving in diskrediet te brengen. Goodman geeft talrijke voorbeelden van de minachting van de Romeinen voor de joden en gebruikt enkele malen het woord antisemitisme, zonder dat hij het begrip overigens nader definieert. Zijn analyse had aan duidelijkheid gewonnen als de negatieve stereotypen van de joden in samenhang met de beledigende uitlatingen van de Romeinen over andere volkeren waren behandeld. Dat de joden beticht werden van leugenachtigheid, lichtzinnigheid en een aanleg voor misdadigheid is niet zo opzienbarend als we die opmerkingen leggen naast de kritiek op de Grieken, Carthagers en Syriërs die er evenmin om loog. Ook zij werden blootgesteld aan de ernstigste beschimpingen.

Wat speciaal de joden overal in het rijk werd nagedragen is dat ze zich afsloten van de rest van de mensheid, dat ze vasthielden aan hun oude identiteit en zich niet openstelden voor de Romeinse goden en cultuur. Het zat de Romeinen dwars dat ze niet deelnamen aan religieuze festivals en de keizercultus negeerden, waardoor ze geen bijdrage leverden aan het welzijn van het rijk als geheel, met de keizer als bindende factor. En daar hadden ze geen goed woord voor over. Maar hoezeer ze de joden ook minachtten, ze gingen niet over tot een verbod van hun godsdienst in Rome. Het privilege om hun godsdienst vrij te belijden lieten ze intact en ze gaven er zelfs een juridische basis aan, waardoor de joden hun eigen religieuze organisatie konden opbouwen, met als hart de synagogen.

Over de houding van de christenen tegenover de joden is Goodman veel stelliger. Hij beschrijft hoe de christenen zich in de eerste eeuw losweekten van de joden en hun eigen weg gingen. Ze verloochenden hun oude identiteit en beschuldigden de joden ervan de dood van Christus op hun geweten te hebben. Hoe meer de christenen aan invloed wonnen, des te duidelijker lieten ze merken dat christendom en jodendom niet met elkaar te verzoenen waren. Vanaf de regering van Constantijn in het begin van de 4de eeuw was het voor de christenen, die de macht in het Romeinse rijk naar zich toe hadden getrokken, een uitgemaakte zaak dat de joden verachtelijke personen waren.

Goodman is er van overtuigd dat de vooroordelen van de christenen ten aanzien van de joden in de late oudheid aan de basis staan van het antisemitisme van de christelijke Middeleeuwen dat in de moderne wereld nog altijd zichtbaar is. Het is een hard standpunt, maar gezien het doorwrochte betoog in het hoofdstuk ‘The Growth of the Church’ geen opvatting die zo maar uit de lucht komt vallen.