Woedende lijnen

De Amerikaanse schilder en tekenaar Philip Guston was een piekeraar die niet snel tevreden was over zijn werk. Sommige van zijn tekeningen zijn magistrale wondertjes.

Lila huilde. Ze huilde omdat ze niet wist wat ze moest maken, waartoe ze iets zou maken, hoe ze iets moest maken. Haar medestudenten, met wie ze op het Sandberg Instituut was begonnen aan een vervolgstudie autonome kunst, rommelden luidruchtig om haar heen. Zij leken precies te weten wat ze moesten doen. Ze waren druk met voorbereidingen voor tentoonstellingen. Er werd getekend, gefilmd, het ene na het andere beeld ontsprong op de luttele tien vierkante meter die hun atelier groot was.

Lila zat al zes maanden sprakeloos achter haar bureau, toen ik als gastdocent bij haar binnenstapte. Het vel papier voor haar neus was leeg, haar atelier angstwekkend opgeruimd. Lila Maragoudaki kwam uit Griekenland met een studiebeurs hiernaartoe. Een veelbelovend kunstenaar heette ze te zijn, in Athene opgeleid als fotografe, schilder en theatermaakster. In Amsterdam zou de kleine Atheense alle beloftes waar maken. Maar Lila’s talent leek te verdampen op het moment dat ze op Schiphol uit het vliegtuig stapte en op het Sandberg binnenkwam.

Een jaar later spreek ik Lila opnieuw. Ze heeft een beetje haar draai gevonden, vertelt ze. Ze is videoportretten van zichzelf gaan maken. „Ik weet niet of het kunst is, maar het voelt alsof ik het moest doen.”

Ze zet haar laptop aan. Op het scherm verschijnen eenvoudige, statische beelden van Lila zelf, frontaal opgenomen, van opzij, via een spiegel. In korte zinnen vertelt Lila wie ze is, hoe ze eruit ziet, uit hoeveel personen haar familie bestaat, waar ze woont, dat ze een vriendje heeft. Als een bioloog die een nieuwe mierensoort heeft ontdekt, zo beschrijft ze zichzelf.

Dan de wending: kunst. Wat betekent het om kunstenaar te zijn? De drang om iets te willen scheppen. Waarom? Een verplichting aan ouders, aan de subsidiegever, zichzelf. Verwachtingen, zo hooggespannen, dat ze haar verstikken. Ik heb veel opgegeven om hierheen te komen, zegt Lila tegen de kijker. „Ik voel me eenzaam.” „Ik houd van mijn ouders.” „Ik lieg.” In sober staccato beschrijft ze haar angst, jaloezie en onzekerheid. Waar is de geïnspireerde kunstenaar gebleven die ze altijd droomde te zijn? Is ze dapper genoeg om een professionele kunstenaar te worden? „Ik zou bevrijd zijn als ik één reden kon bedenken waarom ik een kunstenaar wil zijn.”

De filmpjes duren een paar minuten. Ze zijn pietluttig persoonlijk, maar toch overstijgen ze dat persoonlijke. Lila heeft het over universele vragen, waar talloze kunstenaars mee worstelen en geworsteld hebben. Ook de grootste.

Lila is bijna 26. Binnenkort studeert ze af als master. Haast niemand heeft nog van haar gehoord. Is het bespottelijk om haar te vergelijken met een van de reuzen uit de twintigste-eeuwse kunst? Wellicht. Waarom dringt die vergelijking zich dan op? Waarom moet ik aan Lila’s portretten denken op weg naar Bonn, naar een overzichtstentoonstelling met werk van Philip Guston?

Philip Guston, de Amerikaanse

schilder en tekenaar die in 1980 op 67-jarige leeftijd overleed aan een hartaanval, is een worstelaar geweest. Zo iemand die zelfs de schaduw van zijn eigen penseelstreek ter discussie stelt. Bij Guston weinig plezier voor de schildersezel: „Frustratie is alles in de kunst”, zegt hij, „tevredenheid leidt tot niets.” Ook vergelijkt hij het kunstwerk met een rechtszaal, waar de kunstenaar beklaagde is, aanklager, rechter en jury tegelijk. Uit 1975 dateert een brief aan een vriendin. Heel af en toe is hij tevreden over wat hij maakt. „De rest is pijn en chaos, zenuwslopende zelfkwelling en tegenzin.”

Guston is niet 26 als hij deze woorden schrijft, maar 62. Hij heeft een bloeiende kunstenaarspraktijk, heeft in alle belangrijke musea in de wereld tentoongesteld, leeft als een vorst van de verkoop van zijn werk, kunststudenten hangen aan zijn lippen. Maar hij piekert. „Na zoveel jaren propvol arbeid weet ik dat ik eigenlijk niets weet – zo ongelooflijk weinig.”

Guston begon zijn carrière in de jaren dertig als propagandistisch muurschilder, samen met zijn vriend Jackson Pollock. Na de oorlog liet hij zijn figuratieve stijl varen en ontwikkelde hij zich tot een van de beroemdste abstract-expressionisten van zijn tijd, in één adem genoemd met Willem de Kooning, Pollock, Newman, Rothko. Maar waar zijn collega’s (op De Kooning na) het modernistische dogma van kruisvaarder en kunsthistoricus Clement Greenberg trouw bleven – ontdoe een schilderij van alle allegorische en symbolische betekenissen en laat het alleen nog maar puur kleur, vorm en doek zijn – ‘verraadde’ Guston op latere leeftijd de zaak.

Op een inmiddels legendarische tentoonstelling in de herfst van 1970 in de Marlborough Gallery in New York toonde hij werk dat diametraal afweek van alles wat Greenberg voorschreef. In plaats van de abstracte landschappen en de minimalistische lijntekeningen die men van Guston gewend was, hing hij nu figuratief werk op. Schilderijen van Ku Klux Klan-achtige mannetjes, cartoonesk uitgebeeld, hun gebaren bomvol symboliek, ambivalentie en mistige associaties. Het linnen wemelde van vingers als geweerlopen, van wandklokken met wijzers als pijlen en hopen benen die uit vuilnisbakken steken.

„Old men ought to be explorers”, schreef de dichter T.S. Eliot in de tweede van zijn Four Quartets, en het lijkt alsof Guston die woorden naar de letter heeft opgevat. Op de tentoonstelling in Bonn, die chronologisch van opzet is, valt prachtig te zien hoe de ontdekkingsreis van deze ontdekker schoksgewijs verloopt. Want als de kunstenaar in een artistieke crisis zit, valt hij terug op het tekenen, soms wel vier jaar aan één stuk. Tekenen, zegt hij, lijdt niet af met kleur en materie, zoals verf wel doet. Tekenen is de naakte lijn, ontdaan van alle rumoer.

Toch zijn Gustons tekeningen

niet zo puur en naakt als hij zelf suggereert. Ze zijn prelude en probeersel ineen. Want juist in zijn tekeningen lijkt het alsof de kunstenaar zichzelf meer vrijheid toestaat, meer vergissingen en mislukkingen.

De schilderijen zijn ‘af’, geweldig, of ze nu abstract zijn of figuratief. Wie een aantal jaren geleden het retrospectief in de Londense Royal Academy heeft gezien, herinnert zich dat. De tekeningen zijn niet af. Ze zijn soms sukkelig, soms wanhopig, de aarzeling druipt er vanaf. Zo is er een uiterst minimale serie uit 1966 en 1967, die veelbetekenend vooraf wordt gegaan door een tekening van een weegschaal, een bibberig geval uit 1965). De serie begint met Full Brush, een blad dat nog het meest lijkt op een vette penseelstreek opgevuld met woedende lijnen. Vervolgens twee cirkels, een kromme lijn, een horizontale lijn met een verticale, weer een cirkel – iedere lijn een nieuw blad in zwart-wit. De os is geslacht, het vlees is verorberd en vermalen, wat overblijft is een hoopje uitgekookte beenderen. Als kunst nog maar uit één lijn bestaat, als dát is wat van de werkelijkheid overblijft, hoe ga je dan verder Guston? Inderdaad – anders.

Soms zijn de tekeningen ook magistrale wondertjes. Zo’n hoogtepunt vormen de ‘zones’, structuren die hij tussen 1952 en 1954 tekent. Het zijn elektrificerende spinsels van dikke en dunne inkt, van rechte lijnen en boogjes. Abstract volgens de letter, maar toch ook niet. Sta er recht voor, schuin, kijk er van onder tegen aan en zie hoe de tekeningen veranderen. Ze verwijzen naar mysterieuze plekken waar niemand ooit is geweest, naar steden, straten die je bekend voorkomen en toch ook weer niet. Kanalen in Venetië, wasgoed aan lijnen in Napels, het raster van Manhattan – zodra je denkt een glimp te herkennen, lost die glimp op in ondefinieerbare chaos, zoals een belangrijke droom die je probeert na te vertellen oplost en verdwijnt.

Guston noemde zichzelf ‘stijlloos’.

De weg die hij bewandeld had als kunstenaar ‘onrein’. Daarmee doelde hij niet op de afgesleten schoenzolen die als een mantra in zijn figuratieve werk terugkeren. Hij doelde niet op de wulps woekerende sandwiches die hij in het laatste jaar van zijn leven tekende. Niet op de kromme spijkers, de gezichten die openbarsten op de plek van de ogen, maar geen neus, geen mond en geen oren bezitten. Hij doelde op een onreinheid die alleen maar onrein was, omdat de buitenwereld er zo naar keek.

Voor ons is het moeilijk voorstelbaar, maar de tentoonstelling in 1970 in New York veroorzaakte een groot schandaal. Het ‘stijlloos’ overgaan naar figuratie leidde ertoe dat een van Gustons beste vrienden, de avant-garde componist Morgan Freeman, met hem brak. Het leidde tot slechte recensies, tot een feestje dat maar geen feestje wilde worden, zo gegeneerd voelden de bezoekers van Gustons tentoonstelling zich. En Guston?

Hij reisde daags na de opening af naar Italië om zijn favoriete Renaissanceschilders te bestuderen: Piero della Francesca, Michelangelo, de fresco’s van Signorelli, Masaccio. Zij slaagden erin, vond hij, om alles zo ongelooflijk als een eenheid af te beelden. Plastische structuur en geschiedenis, plastische structuur en verhaal gegoten in één onomstotelijk beeld. Naar zo’n beeld is Guston zijn leven lang op zoek geweest. „Er zijn zoveel dingen te zien in de wereld, in de steden, zoveel te zien”, schreef Guston. „Moet kunst deze veelheid afbeelden, vertegenwoordigen? Kan kunst zo vrij zijn?” Guston stelde de vraag, maar het antwoord was niet zo eenvoudig gegeven.

Ik denk aan Lila. In haar atelier zei ik tegen haar: je zult nooit het definitieve antwoord vinden op jouw vragen. Het zal altijd een worsteling blijven. Kijk naar Guston, had ik eraan toe kunnen voegen.

‘Philip Guston. Werken op papier’, t/m 20 mei in het Kunstmuseum, Friedrich Ebert-Allee 2, Bonn. Di t/m zo 11-18 u, wo 11-21 u. Vanaf 31 mei in het Louisiana in Humblebaeck, 7 sept. in het Albertina in Wenen, 31 dec. in de Pinakothek der Moderne in München en in 2008 in New York. Catalogus € 25,- Voor het werk van Lila Maragoudaki zie www.sandberg.nl