Waar blijft die ridder toch?

Walter Scott: Ivanhoe. Vertaald en ingeleid door Harm Damsma en Niek Miedema. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 530 blz. € 24,95

De roman Ivanhoe (1819) van Walter Scott is niet het beste boek uit de 19de eeuw. Geen punt. Minder dan beste boeken zijn vaak óók interessant. Er zijn bovendien lezers (onder wie ik) die omwille van één enkele briljante passage al geen kwaad woord meer over een boek willen horen. Ivanhoe is niet eens het beste boek in Scotts omvangrijke oeuvre. Maar deze roman over de 12de-eeuwse ridder Ivanhoe is wel een intrigerend geval, net als Scott zelf. Het boek werd anoniem gepubliceerd, om te beginnen. Walter Scott was al beroemd als dichter, en wilde zijn reputatie niet in de waagschaal stellen toen hij in 1814 (voor het geld) een roman schreef, Waverly. Hij liet zelfs het hele manuscript van deze (en volgende romans) kopiëren voordat het naar de uitgever ging, opdat men zijn handschrift niet zou herkennen.

Veel helpen deed het niet. Al in 1815 werd hij op het eten uitgenodigd door de prins-regent George, die ‘de auteur van Waverly’ oftewel ‘de tovenaar het Noorden’ wilde ontmoeten. Desondanks zou Scott op de titelpagina’s van zijn voor het merendeel beroemd geworden romans – Guy Mannering (1815), The Antiquary (1816), Rob Roy (1818), Ivanhoe (1819), Kenilworth (1821), The Pirate (1822), The Fortunes of Nigel (1822), Peveril of the Peak (1822), Quentin Durward (1823), St. Ronan's Well (1824), Redgauntlet (1824), Tales of the Crusaders (1825), Woodstock (1826), The Fair Maid of Perth (1828) en Anne of Geierstein (1829) – in plaats van zijn eigen naam ‘Door de auteur van Waverly’ blijven zetten, of een pseudoniem gebruiken als Jedediah Cleishbotham of Laurence Templeton (in Ivanhoe). Pas in 1827 gaf hij officieel toe dat hij de auteur was.

Terug naar Ivanhoe. Onterfd door zijn vader keert deze koene ridder vermomd en onder schuilnaam terug van een kruistocht in Engeland, waar de autochtone Saksen zich verzetten tegen hun Normandische overheersers. Er is een riddertoernooi, Ivanhoe wint met glans, en laat zijn geliefde Lady Rowena tot koningin van de wedstrijd uitroepen. De vraag is: krijgt hij haar of krijgt hij haar niet?

Ivanhoe is duidelijk de mooie jongen van het boek. De beeldschone Rebekka (een joodse vrouw) heeft ook al vues op hem. Dat geeft spanning. Verder is er veel mysterie met vermommingen en dekmantels. De terugkeer van Richard Leeuwenhart (de wettige koning) is aanstaande, plaatsvervanger John wil liefst op de troon blijven zitten. Vele verwikkelingen volgen. Tot zover de inhoud.

Het eigenaardigste aan Ivanhoe is misschien wel dat de hoofdpersoon vrijwel voortdurend afwezig is. Heel ongebruikelijk voor de 19de eeuw. Een roman waarin de titelheld slechts nu en dan opduikt herinner ik me alleen van lang na Walter Scott. Maar verder is Ivanhoe een ouderwetse roman, waarin je je alleen vaak afvraagt hoe het toch met de hoofdpersoon zou zijn.

Er is voor de tegenwoordige lezer veel ouderwets aan Ivanhoe. Walter Scott komt ons voor als ontzaglijk wijdlopig. Er lijkt vaak geen einde te komen aan zijn beschrijvingen. Dat is een probleem in veel romans uit de 19de eeuw. George Eliot, Charles Dickens (met als uitwas diens Pickwick Papers), en van vaderlandse bodem Geertruida Bosboom-Toussaint of Jacob van Lennep – allemaal prozaïsten die meer geduld vragen dan de meeste lezers nu hebben.

En toch. Scotts werk heeft niet voor niets zo’n enorme invloed gehad op de West-Europese letteren, en Ivanhoe is de moeite méér dan waard. Hoogtepunt is de beroemde toernooiscène. Beeld, kleur, geur. En prikkelend zijn de vele rabiaat antisemitische woorden die de Ivanhoe-figuren in de mond nemen, zeker als je ze afzet tegen Scotts sympathieke beschrijving van de belangrijke joodse personages Isaac en Rebekka.

Fraaie portretten te over in Ivanhoe. Rebekka is een vrouw met wie iedere man onmiddellijk wil trouwen. Hoewel: ‘Ivanhoe was te katholiek om dergelijke gevoelens voor een jodin te kunnen blijven koesteren’. Verder is de kluizenaar een onvergetelijk personage, een alweer vermomde levensgenieter annex geweldenaar. De aforismen van de nar Wamba tenslotte doen je nog steeds in de lach schieten. En als je je eenmaal bij het tempo van de verteller hebt weten neer te leggen is Ivanhoe ook spannend.

Of we met deze historische roman intussen ook een betrouwbaar beeld van het 12de-eeuwse Engeland in handen hebben is de vraag. Dat brengt ons op een tweede, geestige en spannende laag in Ivanhoe. Scott opent met een brief van zijn pseudoniem Laurence Templeton. Hij stelt daarin zelf de historiciteit van Ivanhoe ter discussie, spelend met feit/fictie en verwijzend naar personages uit eigen boeken als waren zij bestaande personen. Hij zegt zich bewust te zijn van ‘de gebrekkige, onbevredigende en oppervlakkige wijze waarop de uitkomsten van mijn oudheidkundige onderzoekingen zijn geboekstaafd.’ Latere critici zouden Scott/Templeton gelijk geven: historisch klopt lang niet alles in Ivanhoe. En ook als roman… zie de eerste regels van dit stuk.

Een grappig detail tot slot. De pseudonieme Templeton richt de openingsbrief van Ivanhoe aan een oudheidkenner die Dryasdust heet, vertaald als Gortdroog. Gortdroog, Droogstoppel. Multatuli zal Walter Scott toch niet hebben gelezen? Toch, Multatuli las Walter Scott. Interessant, op zijn minst.

Meer weten? Atte Jongstra leest verder op www.nrc.nl/boekenblog