Veertien typische Makjes gebundeld

Geert Mak: De goede stad. Atlas, 256 blz. €18,50 **

Geert Mak moet eens goed in zijn computer hebben gekeken; hij vond 14 artikelen waarvan hij het zonde vond dat ze maar één keer publiek waren gemaakt – als reportage in een weekblad, als voordracht op een symposium, als college bij zijn afscheid als buitengewoon hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Samen een bundel, zal hij hebben gedacht. Of anders wel zijn uitgever. De goede stad verscheen, waarschijnlijk niet toevallig, twee weken voordat er 900.000 exemplaren van het door Geert Mak geschreven boekenweekgeschenk De brug werden uitgedeeld.

Echte Makjes zijn het, die 14 artikelen, ook die uit 1995, toen Mak nog lang niet zo beroemd was als nu. (Hoe God verdween uit Jorwerd moest nog verschijnen.) Het is steeds opnieuw: de anekdote, de tot het hart sprekende details, de lessen die eruit geleerd kunnen worden.

In De smarten van Coenraad van Beuningen begint hij met de graffiti op het huis van no. 216 aan de Amstel – hij beschreef ze ook al eens in De engel van Amsterdam. Ze zijn uit 1689, toen de krankzinnig geworden ex-diplomaat en ex-burgemeester Coenraad van Beuningen ’s nachts zijn bed uitging om op straat zijn ellende uit te schreeuwen: de wereld ging ten onder aan lethargie en corruptie.

Van Beuningen, schrijft Geert Mak, is de personificatie van de identiteitscrisis waaraan de jonge Republiek toen leed. Aanvankelijk de voorspoed in de 17de eeuw, daarna – in het rampjaar 1672 – de aanval daarop door de Britten, de Fransen, de bisschop van Münster. De economie stortte in, de angst voor vreemdelingen groeide. In 1685 verbood Haarlem de trekschuitschippers om vreemde landlopers uit Amsterdam mee de stad in te nemen. En dan schrijft Mak: ‘We leven nu meer dan driehonderd jaar later en slaan de krant op. [...] We lezen de verwarrende statistieken over de onveiligheidsgevoelens van de Amsterdamse burgers. We signaleren de zorgelijke rapporten over de taal- en onderwijsachterstand bij bepaalde groepen immigranten.’ Dan volgt een analyse van de verwarring waaraan Nederland nu lijdt, het verdriet om alles wat verloren lijkt te gaan. ‘Wie rouwt er niet een beetje nu zelfs de oude Jordanese buurtslagerij In ’t Vette Varken wordt opgeheven?’ Maar zo erg als we elkaar voorhouden is het nou ook weer niet, zegt Geert Mak. En daar komt hij met cijfers en feiten. Over het veel grotere aantal immigranten uit geïndustrialiseerde landen dan uit het Rifgebergte. Over Marokkaanse meisjes met moeders die analfabeet zijn, maar zelf naar de universiteit gaan. En over de twintigers in de grote steden voor wie de hele integratiediscussie niet eens meer bestaat. Dat is ook echt Mak: de geruststelling.

Jannetje Koelewijn