Sterven (2)

Het sterfhuis van Franz Kafka in Kierling is dan wel veranderd in een eenvoudig appartementengebouw, het doet nog altijd denken aan het kleine sanatorium dat het was. De gangen klinken hol, de plafonds zijn hoog en de vloer is nog van hetzelfde onverslijtbare graniet, waarin bij de ingang het woord ‘salve’ en het jaartal 1901 zijn gebeiteld.

Ik stel me de bedwongen paniek voor die in deze kille gangen in juni 1924 moet hebben geheerst. Het was duidelijk dat het einde onafwendbaar was. Kafka leed vreselijke pijn en kon nauwelijks meer praten en drinken door de aantasting van zijn strottehoofd. Hij lag uren op het balkon van zijn kamer – kijken en luisteren was nog het enige dat hij onbelemmerd kon doen.

In zijn nabijheid vertoefden steeds zijn vriendin Dora Diamant – een 22-jarige joodse vrouw die hij een jaar eerder had leren kennen – en Robert Klopstock, een student medicijnen die in een ander sanatorium een medepatiënt was geweest. Twee voortvarende helpers die zich die weken volledig aan Kafka wijdden.

Dora onderhield het contact met het thuisfront in Praag, vooral Kafka’s ouders. Zij probeerde, met instemming van Kafka, tegen beter weten in de moed erin te houden. Ze schreven misleidende briefjes waarin het alarmerende ziektebeeld zo vaag mogelijk werd gehouden. „Absoluut geen aanleiding tot ongerustheid”, kreeg Dora uit haar pen.

De ouders moesten op afstand gehouden worden. Hij wilde hun de trieste aanblik van een stervende zoon besparen, zo wordt wel gezegd. Ik houd het er eerder op dat hij geen zin had in sentimentele taferelen met een vader die zo’n verwoestend spoor door zijn leven had getrokken. Nota bene, nog een dag voor zijn dood ontraadt hij zijn ouders met klem te komen in een brief die hij door uitputting niet meer kan voltooien.

Die laatste weken hing Kafka meer aan het leven dan hij ooit gedaan had. Toen een arts hem om hem op te beuren vertelde dat zijn keel er wat beter uitzag, omhelsde hij Dora in tranen.

In de beschrijvingen van zijn laatste uren zal mij altijd het volgende moment bijblijven. Toen in de nacht van 2 op 3 juni de pijn hem te machtig werd, eiste Kafka morfine-injecties. Hij kreeg er twee, na de tweede zei hij tegen Klopstock: „Hou me niet voor de gek, u geeft me een tegengif.” Daarna zei hij: „Doodt u mij, anders bent u een moordenaar.” Een uitspraak die in het huidige debat over euthanasie nog niets aan waarde heeft verloren.

Voor zijn befaamde laatste woorden hebben we alleen Klopstock als getuige. Dora was even voor een boodschapje weggestuurd, Kafka had met Klopstock afgesproken dat zij zijn doodsstrijd niet zou zien. Kafka zag Klopstock voor zijn zus Elly aan en zei: „Weg, Elly, niet zo dicht, niet zo dicht bij me.” En toen Klopstock zich wat oprichtte: „Ja, zo – zo is het goed.”

Ik loop door de gangen op de tweede verdieping van het voormalige sanatorium. Daar zie ik opeens een balkon aan de achterzijde. De deuren kunnen open en ik stap naar buiten. Stilte. Dit is het uitzicht geweest van zijn laatste weken. Een diepe, boomrijke tuin, een groene heuvelrug tot zover het oog reikt. Ergens daarachter had de dood op hem gewacht – als een bedreiging, maar misschien toch vooral als een bevrijding van een te zwaar leven.