Omarm de cello als een geliefde

De onlangs overleden, legendarische cellist Mstislav Rostropovitsj was ook een bevlogen leraar. Een ex-studente brengt zijn lessen in het Moskouse conservatorium tot leven.

Mstislav Rostropovitsj tijdens een Masterclass in het Concertgebouw, Amsterdam Foto Evelyne Jacq Nederland, Amsterdam, 17-06-2001 Concertgebouw Masterclass van Rostropovich Foto: Evelyne jacq Jacq, Evelyne

Elizabeth Wilson: Mstislav Rostropovich. Cellist, Teacher, Legend.Faber and Faber, 382 blz. € 39,99

‘Ga niet weg, ga niet weg, ga niet weg’, scandeerden op 10 mei 1974 zo’n 2.000 Russen in de Grote Zaal van het Moskouse conservatorium bij de laatste noten van Tsjaikovski’s Symfonie Pathétique. Velen van hen waren in tranen. Hun smeekbede was gericht tot de cellist Mstislav Rostropovitsj, die zijn afscheidsconcert dirigeerde. Hij had besloten de Sovjet-Unie te verlaten. De sovjet-autoriteiten maakten hem het leven onmogelijk. Pas in 1990 zou hij weer voet op Russische bodem zetten.

De 47-jarige Rostropovitsj was in 1974 een van de grootste musici van zijn tijd. Als cellist reisde hij de wereld over, tot hem verboden werd op te treden omdat hij in zijn datsja even buiten Moskou onderdak bood aan de dissidente schrijver Aleksandr Solzjenitsyn. Diens literaire werk, over de misdaden van het communistische regime, kon alleen in het buitenland verschijnen. Het leverde hem in 1970 de Nobelprijs voor de Literatuur op. De schrijver werd tot ‘vijand van het volk’ bestempeld en geïntimideerd. En de cellist die het voor hem opnam werd aan vergelijkbare beproevingen onderworpen. Maar fatsoen en vriendschap waren belangrijker voor Rostropovitsj dan zijn carrière. Toen minister van Cultuur Jekaterina Foertseva hem opriep Solzjenitsyn zijn huis uit te gooien, was zijn antwoord zoiets als: ‘Alleen als u hem een ander warm dak boven zijn hoofd verschaft en hij uit zichzelf vertrekt’.

Fatsoen en vriendschap voeren in Mstislav Rostropovich. Cellist, Teacher, Legend van de Britse celliste en schrijfster Elizabeth Wilson de boventoon. Het is de eerste serieuze biografie van deze grote musicus, die twee weken geleden 80 jaar oud overleed. Jammer is het wel dat het biografische deel van het boek ophoudt bij de ballingschap.

Mstislav – Slava – Rostropovitsj werd in 1927 geboren in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe. Zijn vader was een tamelijk bekend cellist, zijn moeder een pianiste. Om zoon en dochter een goede opvoeding te geven trokken ze in 1931 naar Moskou, waar ze bijna crepeerden van de armoede. Slava werd opgeleid door zijn vader, die muzikale verbeelding belangrijker vond dan routinematig oefenen. In 1940 debuteerde hij op 13-jarige leeftijd met het Celloconcert van Saint-Saëns. Zijn performance, zijn houding op het podium, was al opvallend goed. Zijn studenten zou hij later het belang van zo’n goede performance inpeperen.

Eenmaal op het conservatorium in Moskou kreeg Rostropovitsj les van zijn oom Semjon Kozoloepov, die hem zijn strijktechniek bijbracht. Vanaf die tijd volgden de successen elkaar op. Hij ging samenwerken met alle beroemde musici van zijn tijd, zoals de al even onstuimige pianist Svjastoslav Richter. Hun optredens moeten heel bijzonder zijn geweest. Omdat ze het liefst live optraden is van hun subtiele samenspel weinig op de plaat gezet. De radio-archieven moeten vol verborgen schatten zitten.

Wilson laat zien dat Rostropovitsj zich al vroeg heeft verzet tegen misstanden. Toen in 1948 de wet op het zogeheten ‘formalisme’ in de muziek het Russische muziekleven verlamde en een componist als Prokofjev aan banden werd gelegd, bleef Rostropovitsj hem als enige steunen. Politiek liet zich niet met muziek vermengen, vond hij.

In 1955 ontmoette Rostropovitsj de sopraan Galina Visjnjevskaja. Vier dagen later vroeg hij haar ten huwelijk. Gevraagd of hij ooit spijt had van die snelle beslissing, antwoordde hij: „Ja, ik heb drie dagen van mijn leven verspild.”

De meerwaarde van Wilsons boek is het fascinerende inkijkje in zijn onorthodoxe lespraktijk. Ze kreeg zelf tussen 1964 en 1971 les van Rostropovitsj en de meeste studenten – zoals Natalia Gutman, Mischa Maisky en Jacqueline du Pré – kende ze persoonlijk. Daarom kan ze haar boek larderen met vele vermakelijke anekdotes. Zo kwam de onvermoeibare Rostropovitsj, die meestal om zeven uur ’s morgens met zijn lessen op het conservatorium begon, op een keer pas om zeven uur ’s avonds opdagen. Zijn studenten zaten de hele dag op hem te wachten. Rostropovitsj voelde zich zo schuldig dat hij hen mee naar huis nam, waar tot in de vroege uren van de volgende dag werd gemusiceerd. Tot grotere intimiteit met een docent kun je haast niet komen. Een heel andere anekdote is die over de eetlust van de jonge Rostropovitsj: na een optreden tijdens de oorlog in de provincie kwam hij thuis met een emmer aardappelen om zijn honger te stillen.

In klas 19, Rostropovitsj’ leslokaal op het conservatorium in Moskou, was het altijd open huis. Voor zijn leerlingen zette hij zich net zo bevlogen in als voor zijn publiek – met een groot gevoel voor humor en een scherp psychologisch inzicht waar hij zijn studenten mee op hun gemak stellen. Als het moest kon hij ook bot uit de hoek komen, maar altijd met het doel hen verder te helpen.

Techniek was volgens Wilson maar een klein onderdeel van Rostropovitsj’ lesmethode. Zijn leerlingen moesten vooral de betekenis van de muziek ontdekken en daar hun emoties op loslaten. Zo vond hij het belangrijk dat ze Dostojevski en Tsjechov lazen om het wezen van de Russische muziek te leren begrijpen. Ook moesten zijn leerlingen partituren uit het hoofd leren spelen. Discipline, werkkracht en verbeelding waren voor hem de hoogste wetten van goed musiceren. Eindeloos repeteren was overbodig.

Wilsons boek is een handleiding voor iedere musicus, want waar zij het cellospel van haar leermeester en medestudenten analyseert is haar boek ronduit fascinerend. Zó en niet anders moet je muziek maken, denk je dan. Dankzij haar analyses ga je ook anders luisteren naar Prokofjev en Sjostakovitsj.

Tegelijkertijd toont Wilson aan dat Rostropovitsj besefte dat zijn manier van cellospelen – met eigenaardige handposities omarmde hij zijn instrument zo teder als een geliefde – niet door een ander kon worden geëvenaard. Hij respecteerde bovenal dat ieder mens zijn eigen, individuele geluid heeft. Niet voor niets nam hij het op voor Solzjenitsyn, die zijn unieke stem wilde laten horen maar dat niet mocht. Misschien gaat ook hij nog eens over Rostropovitsj schrijven, hij kent hem als geen ander.