Katja’s dagboek

Wat voorafging: Katja en Tjalling hebben de rat Sebastiaan teruggevonden! Maar zijn kidnapper Grus Zwaardvis heeft nergens spijt van…

We vochten, Grus Zwaardvis en ik. Hij was glad en zwaar. Ik beet in zijn bovenarm. Hij smaakte nergens naar. Hij gooide mij van zich af. Ik wierp me weer op hem. Al worstelend rolden we om… En daar botsten we tegen iets op. Iets logs dat daar zomaar stond, op de rand van de klif.

„Aaaaaah”, riep Tjalling nog. Ik zag hem vallen. Hij kukelde zo van de klif af, die gek! „Wacht”, riep ik, „Ho, Tjalling!” Onmiddellijk zag Grus zijn kans schoon. Hij schroefde een van zijn handen muurvast op mijn gezicht. Een vuist van staal was het. Ik greep zijn dikke pols vast en trok en spartelde. Voor ik het wist rolden ook wij van de klif. Grus liet mijn gezicht los. Net op tijd. Ik greep naar het stugge gras dat langs de afgrond groeide. Het sneed in mijn vingers, maar daar hing ik. Naast me hing Grus. En daarnaast hing Tjalling! Goddank, hij was er dus nog.

Diep onder ons kolkte diepgroen de zee. Meeuwen vlogen schreeuwend onder ons door. Het was werkelijk erg hoog… Sebastiaan was als enige vrolijk. Triomfantelijk piepend kroop hij om ons heen. Hij trippelde over Grus alsof dat zijn beste maatje was. Er schoot een pol gras los. Hoe lang hield ik dit nog vol?

Tjalling keek me aan. Hij zei niets, maar hij trok raar met zijn gezicht. Net wat voor hem om op zo’n moment iets in zijn oog te krijgen. Of wacht eens… Hij probeerde me wat te vertellen! Hij probeerde te knipogen.

Net op tijd begreep ik zijn bedoeling. „Eén, twee…” Tjalling schopte met links. En ik trapte tegelijkertijd met rechts, zo hard ik kon. We troffen Grus bij verrassing. Hij schreeuwde het uit. Het gras in zijn harde vuisten scheurde en… daar ging hij. Grus Zwaardvis, eigenaar van warenhuis De Wereld, dief van Sebastiaan, tuimelde zo voor onze ogen de diepte in.

„Jullie”, riep hij nog, „alles hadden jullie van me kunnen krijgen! Al het speelgoed uit je dromen! Maar…” Er klonk een gigantische klap. Grus Zwaardvis spatte uit elkaar. Het water lag vol plastic schroeven, onderdelen, moertjes en boutjes.

„Shit hé”, mompelde Tjalling. „Die gozer was zelf van speelgoed.”

Op dat moment vond ik steun langs de rotswand voor mijn voet. Ik wist me op te trekken. Zodra ik weer stond, draaide ik me om, bukte en stak mijn handen uit naar Tjalling. Ik greep zijn polsen stevig beet. Ik wist hem omhoog te hijsen. Een wonder, alsof ik ineens oerkracht had. Maar wat keek Tjalling me gek aan toen hij bibberig naast me stond.

„Waarom red je mij? Jij geeft toch zeker alleen om… hém daar.”

Sebastiaans trillende snuitje kwam nu ook boven de rotswand uit piepen.

Ik legde mijn handen op Tjallings schouders. We keken elkaar aan. Onder ons bulderde de zee. „Nee, Tjalling”, zei ik. „De enige echte Klifhanger… dat ben jij, voor mij. Jij hebt het volgehouden met mij. Als enige. Jij bent bij me gebleven. Het gaat om jou, voortaan. Om mij en jou. Om ons.”

Wordt vervolgd.